Verzekerd pakket kwijt: consument krijgt schadevergoeding ondanks factuur op naam van vriend

  • Home >>
  • Post >>
De Geschillencommissie




Commissie: PostPost    Categorie: Overig    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 910219/979749

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument liet op 23 oktober 2024 een telefoon verzekerd versturen voor € 1.443. Het pakket raakte kwijt. De factuur stond op naam van zijn vriend, omdat de consument zelf onvoldoende Nederlands sprak. Hij had de telefoon wel zelf betaald en verzonden. De ondernemer weigerde schadevergoeding, omdat de factuur niet op naam van de consument stond. De commissie oordeelde dat de consument voldoende heeft aangetoond dat hij eigenaar was van de telefoon. Daarom moet de ondernemer € 1.458 (inclusief verzendkosten) en € 27,50 klachtengeld vergoeden. De klacht is gegrond.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft vergoeding voor een verloren gegaan pakket. Ter discussie staat of de consument gerechtigd is tot een schadevergoeding.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer heeft voor de consument een telefoon verzekerd verstuurd naar [plaatsnaam]. Deze is zoekgeraakt. Zijn vriend heeft deze telefoon gekocht omdat zijn Nederlands nog onvoldoende is. Daarom is de factuur op naam van zijn vriend gekomen, maar de telefoon was wel degelijk van de consument. De consument heeft zijn vriend het voorgeschoten bedrag ook terugbetaald. De consument heeft hem ook zelf verzekerd laten versturen.
Dus: De consument heeft zijn telefoon verzekerd laten versturen en nu hij is zoekgeraakt betaalt de verzekering niet uit, omdat de factuur op naam van zijn vriend staat. Dat vindt de consument onterecht.
Hij wil ofwel het pakket terug ofwel de waarde van de telefoon.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Volgens de hoofdregel van schadevergoeding (6:75 Burgerlijk Wetboek) rust op de schuldeiser (in dit geval de verzender) de bewijslast om aan te tonen dat hij gerechtigd is tot de schadevergoeding, en dat hij schade heeft geleden die rechtstreeks verband houdt met de tekortkoming van de wederpartij (de ondernemer). De overgelegde aankoopfactuur is in casu op naam van een derde, wat betekent dat de consument geen rechtstreeks vermogensrechtelijk belang kan aantonen in de zin van artikel 6:76 BW. Hij is daarmee niet ontvankelijk in zijn claim. Volgens artikel 8.3 van de Algemene Voorwaarden PostNL (versie 2024): “De afzender dient op verzoek van PostNL alle benodigde bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt dat hij gerechtigd is tot schadevergoeding.” En artikel 10.2 stelt: “De aansprakelijkheid van PostNL bij verlies van een zending is beperkt tot het bedrag waarvoor het pakket verzekerd is, mits de afzender bewijst dat hij de eigenaar is van de inhoud van de zending.” De verzender heeft in dit geval geen objectief bewijs van eigendom over kunnen leggen. Dat de consument stelt de telefoon “voorgeschoten” te hebben, volstaat juridisch niet: er is geen overdrachtsverklaring of bevestiging van de oorspronkelijke koper overgelegd. Ook het verzoek tot betaling op naam van een derde [naam] is in strijd met de uitkeringsvoorwaarden.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De consument heeft het pakket op 23 oktober 2024 verzonden en toen voor € 1.443, — verzekerd. Niet ter discussie staat dat het onderhavige pakket verloren is gegaan. Ter discussie staat of de consument gerechtigd is tot een schadeuitkering.

Ter zitting werd namens de consument herhaald dat hij zijn vriend [naam] had verzocht de telefoon te kopen, omdat de consument zelf onvoldoende Nederlands sprak. De naam van die vriend is dan ook op de aankoopfactuur vermeld. Dat de consument onvoldoende Nederlands spreekt is ter zitting gebleken. Herhaald werd dat de consument de koopprijs aan de vriend contant betaald heeft. De heer [naam] bevestigde de gestelde gang van zaken.
De ondernemer heeft vermeld dat aanvankelijk gevraagd is de schadeuitkering over te maken op een bankrekening van [naam]. Ter zitting deelde de heer [naam] mee dat zulks gedaan was om bij eventuele navraag het dan te houden gesprek in het Nederlands te kunnen voeren. Namens de consument werd dat bevestigd en gesteld dat verrekening met hem zou plaatsvinden.

De commissie heeft uit het verhandelde ter zitting voldoende de overtuiging gekregen dat de consument de eigenaar is van de inhoud van het pakket (de telefoon met toebehoren). De gang van zaken is terug te voeren op een gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal door de consument. Uit het voorgaande volgt dat de consument, nu het pakket verloren is gegaan, gerechtigd is tot de schadeuitkering.

De gestelde waarde van het pakket is niet weersproken, zodat een bedrag van € 1.443, — toewijsbaar is. Dat bedrag wordt nog vermeerderd met de portokosten (€ 15,–) volgens artikel 9.5 van de toepasselijke Algemene Voorwaarden.

Nu de consument in het gelijk wordt gesteld dient de ondernemer hem het klachtengeld te vergoeden.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De ondernemer betaalt aan de consument een bedrag ad € 1.458,00 (€ 1.443 + € 15,00). Betaling dient plaats te vinden binnen één week na verzending van deze beslissing, bij gebreke waarvan de ondernemer wettelijke rente over dat bedrag verschuldigd is.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 27,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Post, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter, de heer A. Verkaik en de heer drs. E.J.M. Polman, leden, op 24 april 2025.

Print/PDF