Commissie: Voertuigen
Categorie: (On)zorgvuldigheid
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: tussenadvies
Uitkomst: aanvullend deskundigenonderzoek nodig
Referentiecode:
768880/1029184
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument liet in 2022 de motor van zijn Audi RS4 repareren na een vastloper. In 2023 liep de motor opnieuw vast. Hij vindt dat de ondernemer hem toen had moeten adviseren om de motor te vervangen en dat de eerste reparatie onvolledig was. De ondernemer stelt dat de reparatie in overleg is gedaan en dat de kosten grotendeels zijn vergoed. De commissie oordeelt dat de ondernemer niet verantwoordelijk is voor de verkoop van de auto en dat de keuze voor reparatie verdedigbaar was. Wel wil de commissie laten onderzoeken of de cilinderkoppen bij de eerste reparatie hadden moeten worden meegenomen. De verdere beslissing wordt uitgesteld.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft de reparaties aan de personenauto Audi RS4 naar aanleiding van het vastlopen van de motor op 9 oktober 2022 respectievelijk op 21 september 2023.
De consument heeft een bedrag van € 3.800,82 niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
“Mijn klacht gaat over het advies bij en de onvolledige en onjuiste uitvoering van een reparatie door de ondernemer en over de hoogte van de factuur. De motor van mijn Audi RS4 was na een falende oliepomp
vastgelopen op 9 oktober 2022. De motor is daarna langdurig gerepareerd (7 maanden) en is na nog geen 3.000 kilometer wederom vastgelopen op 21 september 2023. Volgens de ondernemer heeft dit niets met elkaar te maken en dien ik zelf volledig voor alle nieuw te maken kosten op te draaien. In tegenspraak tot een door de ondernemer ingeschakelde expert, die aangeeft dat de motor compleet vervangen dient te worden (€ 44.000,– incl.) geeft de ondernemer aan de motor wederom te kunnen repareren à € 30.000,– incl. Daarnaast heeft de ondernemer mij 0p 7-4-’24 een factuur gestuurd voor demonteren van de motor voor inspectie door de door hen aangestelde expert à € 4.531,76.
Ik ben het hier totaal niet mee eens en mijn klachten zijn:
(1) Dat voorafgaand aan de reparatie geen goed advies is gegeven door de ondernemer
(2) Dat de ondernemer de reparatie onvolledig en onjuist heeft uitgevoerd door – ondanks een reparatie van 7 maanden waarbij steeds meer onderdelen zijn vervangen/gerepareerd – niet ook o.a. de cilinderkoppen te demonteren en reviseren
(3) Dat de ondernemer ten onrechte kosten aan mij factureert voor werkzaamheden die zijn uitgevoerd op verzoek van de door [naam] ingeschakelde expert, althans dat de door [naam] gefactureerde kosten zien op nodeloos uitgevoerde demontage, die veel verder gaat dan nodig om vast te stellen wat er moet worden gerepareerd.”
De consument verzoekt de commissie:
(1) vast te stellen dat de ondernemer de consument in oktober 2022 had moeten adviseren de motor te vervangen door een gereviseerde motor. In dit verband eist de consument een schadevergoeding van
€ 27.963,62. Dan wel:
(2) vast te stellen dat de ondernemer ten onrechte heeft verzuimd om bij de reparatie naar aanleiding van het vastlopen van de motor op 9 oktober 2022 ook de cilinderkoppen te demonteren en te repareren. In dit verband eist de consument een schadevergoeding van € 29.590,–. Dan wel:
(3) vast te stellen dat de ondernemer coulance halve een deel van de kosten van de vervanging van de motor moet dragen, omdat een Audi van nog geen 9 jaar en met een kilometerstand van 106.771 een dergelijk gebrek niet zou mogen vertonen. In dit verband eist de consument een vergoeding van € 13.500,–.
(4) (in alle gevallen:) te bepalen dat de factuur van 7 maart 2024 à € 3.800,– voor demontage naar aanleiding van diagnose van de tweede schade geheel of ten dele niet door de consument verschuldigd is.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De ondernemer verwijst voor zijn verweer naar een door hem gevraagd deskundigenadvies van [bedrijf] van 19 november 2023.
Bij de afweging tussen reparatie en vervanging van de motor naar aanleiding van het vastlopen van de motor op 9 oktober 2022 is in samenspraak met de consument gekozen voor reparatie, zulks gelet op de leeftijd van de auto, de financiële mogelijkheden van de consument en de reparatiemogelijkheden. In geval van reparatie waren de importeur en de ondernemer bereid tezamen het grootste deel van de reparatiekosten (2/3) te betalen, zodat voor de consument nog een bijdrage van € 8.636,62 resteerde. Bij vervanging van de motor door een nieuwe dan wel gereviseerde motor zouden de kosten geheel voor rekening van de consument zijn gekomen.
Bij de reparatie zijn enkel de defecte en verdachte onderdelen door nieuwe vervangen. De oorzaak van de tweede schade is een gebrek aan een onderdeel waartoe bij de eerste reparatie geen aanleiding was die te vervangen, zoals door de [bedrijf] is toegelicht.
Ten aanzien van de onder (3) vermelde vordering ontbreekt enige wettelijke grondslag, omdat de ondernemer niet de partij is geweest die de auto in 2019 aan de consument heeft verkocht. Ten aanzien van de onder (4) vermelde vordering stelt de ondernemer dat mede uit financiële overwegingen niet gelijk is besloten om de hele motor te demonteren maar om dit in fases te doen. Dit is in overleg met de consument gebeurd. De aan demontage verbonden kosten zijn noodzakelijk gemaakt en redelijk.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Niet is betwist dat met betrekking tot de keuze voor reparatie door vervanging van onderdelen naar aanleiding van het vastlopen van de motor op 9 oktober 2022 overleg is geweest met de consument, die vervolgens de opdracht tot die reparatie heeft gegeven. Evenmin is betwist dat bij die keuze een belangrijke overweging is geweest dat de importeur en de ondernemer het merendeel van de reparatiekosten voor hun rekening hebben genomen, terwijl niet is gebleken dat de voorgenomen reparatie ook in technische zin geen redelijk alternatief was voor vervanging van de motor. Het is bepaald onaannemelijk (en ook niet door de consument gesteld) dat de ondernemer en de importeur bij vervanging van de motor door een gereviseerde motor ook bereid zouden zijn geweest in de kosten bij te dragen. Op grond hiervan is de commissie van oordeel dat het verzoek van de consument sub (1) niet kan worden ingewilligd.
Ten aanzien het onder (3) vermelde verzoek ontbreekt enige wettelijke grondslag, omdat de ondernemer niet de partij is geweest die de auto in 2019 aan de consument heeft verkocht. De ondernemer is ten aanzien van de auto slechts als reparateur opgetreden en kan dus niet verantwoordelijk worden gehouden voor de eigenschappen van de auto bij levering aan de consument. Dit verzoek kan daarom ook niet worden ingewilligd.
Met betrekking tot de vraag of de ondernemer al dan niet heeft verzuimd bij gelegenheid van de eerste reparatie ook de cilinderkoppen te demonteren, controleren en repareren, behoeft de commissie nadere deskundige voorlichting. De ondernemer beroept zich ook in deze op het rapport van [bedrijf] maar deze is als partijdeskundige aan te merken zodat de commissie het aangewezen acht deze kwestie door een door de commissie aangewezen deskundige te laten toetsen.
In afwachting van het nadere deskundigenonderzoek wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
Daarom wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie bepaalt dat een (nader) onderzoek zal worden ingesteld door een nader te bepalen deskundige met betrekking tot de vraag of de ondernemer al dan niet heeft verzuimd bij gelegenheid van de eerste reparatie ook de cilinderkoppen te demonteren, controleren en repareren.
De deskundige zal schriftelijk rapport aan de commissie uitbrengen. Het rapport zal in afschrift aan partijen worden gezonden. Partijen worden in de gelegenheid gesteld daarop binnen twee weken schriftelijk hun op- en aanmerkingen aan de commissie kenbaar te maken.
Tenzij (één der) partijen uitdrukkelijk te kennen geven (geeft) een nadere mondelinge behandeling op prijs te stellen, zal de commissie vervolgens op basis van de stukken bindend adviseren.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Voertuigen, bestaande uit de heer mr. R.J. van Boven, voorzitter, de heer A. Belt, mevrouw drs. W. Nienhuis, leden, op 20 augustus 2025.