Commissie: Water
Categorie: kosten/ dienstverlening
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: deels gegrond
Referentiecode:
781749/966384
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument betwistte een factuur van € 1.635 voor het verplaatsen van een drinkwateraansluiting, omdat hij geen opdracht zou hebben gegeven en het werk slechts een half uur duurde. De Geschillencommissie Water oordeelde dat er wél een overeenkomst tot stand was gekomen en dat het standaardtarief niet buitensporig is. Wel had de ondernemer de consument beter moeten informeren over de mogelijkheid tot annulering. Daarom werd het factuurbedrag gematigd met € 500. De klacht werd gedeeltelijk gegrond verklaard.
De volledige uitspraak
Samenvatting
De consument stelt dat geen sprake is van een overeenkomst en beklaagt zich ook over een te hoge tariefstijging. De commissie gaat uit van een overeenkomst en wijst het overige, marginaal oordelend, af, mede vanwege het overheidstoezicht op tariefvaststelling.
Beoordeling
De consument beklaagt zich over de (hoogte van de) factuur betreffende de verplaatsing van de drinkwateraansluiting. De consument heeft bij de ondernemer een offerte aangevraagd voor de verplaatsing van de vaste aansluiting van drinkwater. Met de eerste offerte van € 2.180,00 en de tweede offerte ad € 1.635,00 is de consument niet akkoord gegaan omdat hij de kosten te hoog vond. Er bestaat dus geen overeenkomst tussen partijen.
De aansluiting is toch verplaatst, maar zonder dat de consument hiertoe opdracht heeft gegeven of wetenschap had dat dit werd gedaan. De consument zag het pas toen het werk al gedaan was. De aannemer die de gas- en elektriciteitsaansluiting verplaatste, heeft ook de wateraansluiting verplaatst. De consument dacht dat de aannemer dit werk had meegenomen als service, het was immers maar een half uurtje werk. Desondanks ontving de consument de factuur ad €1.635,00. Hoewel de consument hiertoe geen opdracht heeft gegeven, is hij er op zich blij mee dat de wateraansluiting ook in de meterkast zit en vindt hij dat het werk keurig is uitgevoerd. De consument is daarom bereid een normaal tarief te betalen voor de werkzaamheden, maar € 1.635,00 voor een half uurtje werk is onredelijk.
De ondernemer heeft het volgende aangevoerd. Tussen partijen bestaat een overeenkomst ter zake het wijzigen van de drinkwateraansluiting. De consument heeft hiervoor een aanvraag ingediend, die door de ondernemer bevestigd is. Omdat eerst werd uitgegaan van een wijziging tussen de 2 en 10 meter met bijbehorend tarief van € 2.180,00 incl. btw, maar later bleek dat de wijziging binnen de 2 meter zou blijven is de consument bericht dat de kosten daardoor € 1.635,00 incl. btw zullen zijn.
Op grond van de toepasselijke Algemene Voorwaarden is de consument gehouden de kosten van het
verleggen van zijn aansluiting te vergoeden. De kosten zijn opgenomen in de tarievenregeling. In 2024
waren de kosten voor het, in dit geval, verplaatsen van de aansluiting €1.635,00 incl. btw, zoals ook vermeld op de orderbevestiging en de factuur. Het gehanteerde tarief is een standaardtarief, een zogenaamd ‘postzegeltarief’, wat inhoudt dat het een gemiddelde is van de kosten die normaal met dit soort werkzaamheden gepaard gaan. In sommige gevallen zullen de daadwerkelijke kosten lager uitvallen, in sommige gevallen ook hoger. De consument is het standaardtarief in rekening gebracht en de kosten zijn ook daadwerkelijk gemaakt. De ondernemer verzoekt de klacht ongegrond te verklaren.
De commissie volgt de consument niet in zijn standpunt dat tussen hem en de ondernemer geen overeenkomst tot stand is gekomen aangaande het wijzigen van de drinkwateraansluiting, reeds vanwege onvoldoende onderbouwing. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat de consument hiertoe opdracht heeft gegeven op 19 september 2024, gevolgd door de bevestiging van
25 september 2024 door de ondernemer. Alleen de hoogte van het te betalen bedrag is nadien gewijzigd en door de ondernemer aangepast omdat de wijziging binnen de 2 meter in plaats van tussen de 2 en 10 meter betrof. Dat de consument daarvóór had aangegeven dat hij de kosten te hoog vindt, staat er niet aan de in weg dat hij uiteindelijk toch de opdracht heeft verstrekt, die door de ondernemer is aanvaard. Wellicht had het bericht over de daarmee gemoeide kosten de consument kunnen doen afzien van de opdracht tot verplaatsing, maar dat heeft hij niet gedaan. De uitvoering heeft vervolgens plaatsgevonden, zodat het tarief van € 1.635,00 aan de consument berekend mocht worden.
Ter zitting is nog aan de orde geweest of de hoogte van het standaardtarief in 2024 redelijk is. De commissie heeft in diverse eerdere beslissingen uitgemaakt dat de gehanteerde tariefstijging een marginale toetsing kan doorstaan (zie bijvoorbeeld de door de ondernemer overgelegde uitspraak met [nummer]). Immers, uitgangspunt is dat de commissie niet bevoegd is een tariefhoogte te beoordelen, tenzij deze buitensporig is. In die eerdere beslissingen is uitgemaakt dat mede door het toezicht op tarieven van overheidswege er geen aanleiding is, marginaal oordelend, een tarief als het onderhavige af te wijzen of te matigen. Voor een wat uitvoeriger onderbouwing van een vergelijkbare zaak verwijst de commissie naar haar uitspraak onder [nummer] (te raadplegen op de website van de commissie onder uitspraken en analyses). Daarmee staat voldoende vast dat het tarief niet excessief is. Dat er weinig werk in korte tijd is verricht maakt dit niet anders nu dit, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, reeds is verdisconteerd in het standaardtarief. Het tarief staat daarom vast.
De klacht is in zoverre ongegrond.
In dit geval is komen vast te staan dat de consument de ondernemer in telefoongesprekken te kennen gaf dat hij het niet eens was met de hoogte van de beide rekeningen. Hoewel dit niet in de weg heeft gestaan dat een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, zoals hiervoor is overwogen, en dit aldus niet heeft geleid tot het annuleren van de overeenkomst door de consument, is ook niet gebleken dat de ondernemer de consument op die annuleringsmogelijkheid heeft gewezen.
Ter zitting heeft de ondernemer aangegeven dat de consument dit in de administratieve fase (mogelijk kosteloos) nog had kunnen doen. De commissie is van oordeel dat gelet op de geuite bezwaren door de consument, de ondernemer de consument, in dit geval, hierop had moeten wijzen. Dit betekent dat de ondernemer de consument ter zake de uitvoering van de overeenkomst onvoldoende heeft geïnformeerd. Daar staat tegenover dat de opdracht is uitgevoerd, de consument daarmee ook tevreden is en hij bereid is hiervoor een redelijk bedrag te betalen. In het voorgaande ziet de commissie aanleiding het factuurbedrag te matigen. De commissie is van oordeel dat een forfaitair bedrag van € 500,00 aan matiging redelijk en passend is. De klacht wordt dan ook gedeeltelijk gegrond verklaard.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ten dele gegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
Wijst het verlangde toe als volgt.
Bepaalt dat het bedrag dat de consument aan de ondernemer verschuldigd is op € 1.135,00.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend. Van het in depot bij de commissie gestorte bedrag ad € 1.635,00 wordt € 500,00 aan de consument en € 1.135,00 aan de ondernemer uitgekeerd.
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 27,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Wijst af het meer of anders verlangde.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Water, bestaande uit mevrouw mr. I.K. Rapmund, voorzitter,
de heer mr. E.F. Verduin, de heer mr. J.H. Willems, leden, op 13 juni 2025.