Klacht over energienota na overlijden ongegrond verklaard door commissie

De Geschillencommissie




Commissie: Energie    Categorie: Jaarrekening    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 767757/915498

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument diende een klacht in over de eindnota van 29 oktober 2024 van de energieleverancier, omdat eerdere nota’s gebaseerd waren op foutieve meterstanden en zij twijfelde aan de verdeling van het verbruik en de hoogte van de netbeheerkosten. De ondernemer had na meerdere correcties een eindnota opgesteld waarin het gasverbruik volledig werd afgerekend tegen het lagere tarief van een eerder 3-jarig contract en het elektriciteitsverbruik optimaal werd gesaldeerd, wat voordelig was voor de consument. De commissie oordeelde dat deze eindnota correct en gunstig was, dat de netbeheerkosten terecht waren berekend op basis van het standaard jaarverbruik, en dat de kosten voor juridische hulp en het klachtengeld voor rekening van de consument blijven. De klacht werd daarom ongegrond verklaard en het gestorte depot van € 596,– werd toegewezen aan de ondernemer.

De volledige uitspraak

Samenvatting
Het gaat in dit geschil om de vraag of de uiteindelijk opgestelde eindafrekening correct is.

Beoordeling
De consument klaagt over de onjuiste eindafrekening van de ondernemer (periode 19 april 2023 tot
5 juli 2023, nota van 29 oktober 2024) wegens het verbruik ten name van [achternam] (overleden 26 augustus 2022). Er zijn fouten in de herverdeling van gasverbruik gemaakt, evenals ten aanzien van de netbeheerkosten en bovendien is er sprake van zeer gebrekkige communicatie. De woning was na
26 augustus 2022 onbewoond, maar verbruik is toch aan deze periode toegerekend.

De consument vordert

  • Kan de ondernemer een (volledig arbitraire, want niet gebaseerd op enige meting, of meteropname) herverdeling van het gasverbruik toepassen, of mag de consument redelijkerwijs uitgaan van de aanvankelijk in rekening gebrachte kosten voor het gasverbruik?
  • De redelijkheid van de berekening van de netbeheerkosten.
  • De betwiste verdeling in het gasverbruik in verband met de onbewoonde staat van de woning na het overlijden van erflaatster heeft tevens consequenties voor energiebelasting en opslag duurzame energie. Dient de ondernemer deze te herzien?
  • Dient de ondernemer de verdeling van het elektriciteitsverbruik te herzien en de hoogste teruglevering aan de periodes met de meeste zonuren (c.q. de gemiddeld hoogste periodes van teruglevering) toe te kennen?

Aanvullend verzoekt de consument vergoeding van:

  • € 290,40 aan kosten voor advisering en correspondentie;
  • aangevuld met de kosten voor dossier behandeling vanaf 4 november 2024;
  • € 52,50 aan kosten voor het indienen van deze klacht.

De ondernemer betoogt in zijn verweer het volgende.
Op 11 april 2019 is de levering van gas en elektriciteit aan erflaatster gestart door de ondernemer. Aanvankelijk met een 1-jarige ‘Vereniging Eigen Huis’ (VEH) leveringsovereenkomst. Hierop volgde aansluitend een 3-jarige VEH verlengingsovereenkomst, per 11 april 2020. De tarieven van dit contract lagen beduidend lager dan de latere variabele tarieven. Deze 3-jarige leveringsovereenkomst ging op
11 april 2023 over in een variabel contract, met maandelijks wisselende tarieven. Op 4 juli 2023 is door nabestaanden het overlijden doorgegeven. In verband met de verkoop van de woning is vervolgens de levering beëindigd op 5 juli 2023. Op die dag zijn eveneens eindmeterstanden doorgegeven. Met deze meterstanden is de eindnota d.d. 1 augustus 2023 opgemaakt. Het door de consument te ontvangen bedrag kwam uit op € 1.456,61. De doorgegeven meterstanden bleken echter onjuist. Dat werd duidelijk toen de ondernemer op 11 juli 2024 van Vattenfall een correctieverzoek ontving, met daarbij een door zowel de nieuwe bewoner als de nabestaanden van erflaatster ondertekend overdrachtsformulier. De ondernemer kon op dat moment niet anders dan de meterstanden accepteren en de eerder opgemaakte eindnota tegenboeken en een nieuwe eindnota opmaken. Het door de consument terug te ontvangen bedrag van deze eindnota d.d. 14 augustus 2024 bedraagt € 842,52. Omdat uit het overdrachtsformulier ook bleek dat de geschatte beginstanden van de oorspronkelijk eindnota onjuist waren, is ook de eerdere jaarnota d.d. 9 mei 2023 (periode 19 april 2022 tot 19 april 2023) tegengeboekt en is die gehele periode meegenomen in de nieuwe eindnota. De consument maakte vervolgens haar bezwaar op deze correctie kenbaar en vroegen uitstel van betaling om dit verder te onderzoeken. Hiermee ging de ondernemer akkoord. Op
30 augustus 2024 diende de consument vervolgens een officiële klacht in. De consument gaf in haar klacht aan dat het te begrijpen was dat de oorspronkelijke eindnota, met de onmogelijke meterstanden, gecorrigeerd was. De consument vroeg de ondernemer daarom het een en ander te herzien en toe te lichten. Gezien de situatie van de consument ging de ondernemer ook hiermee akkoord. De gecorrigeerde eindnota werd tegengeboekt en voor de laatste keer werd een nieuwe eindnota met de datum 29 oktober 2024 opgemaakt. Nu met een zo, voor de nabestaanden, voordelig mogelijke verdeling van het verbruik, rekening houdend met het lagere verbruik na overlijden erflaatster. Hierdoor werd het terug te ontvangen bedrag hoger dan van de vorige eindnota, namelijk € 864,97.

De uiteindelijke eindnota bevat een leveringsperiode waarin de lagere tarieven van de 3-jarige vaste leveringsovereenkomst golden. De ondernemer heeft uit coulance al het gasverbruik ondergebracht in deze periode en zo wordt het volledige gasverbruik tegen het laagst overeengekomen tarief binnen de betreffende periode afgerekend. Door het verschuiven van het verbruik wordt voor gas ook minder energiebelasting over het gasverbruik betaald, de energiebelasting op gas is sinds 2022 immers gestegen. Voor het elektraverbruik is wel de standaard verdeling behouden om zo optimaal gebruik te kunnen maken van de salderingsregeling.

De consument betwist tot slot de netbeheerkosten voor gas. Dit tarief wordt jaarlijks vastgesteld door de netbeheerder en via de ondernemer gefactureerd. De hoogte van de netbeheerkosten wordt bepaald aan de hand van het Standaard Jaar Verbruik (SJV). Dit SJV wordt door de netbeheerder berekend aan de hand van de doorgegeven meterstanden. De ontvangen meterstanden zijn telkens doorgegeven aan de netbeheerder, maar het SJV is daarbij niet onder de 500 m³ gekomen, wat een verlaging van de netbeheerkosten met zich mee zou brengen. De ondernemer kan geen invloed uitoefenen op het SJV en dus de hoogte van de netbeheerkosten.

Dat de consument een vertegenwoordiger ingeschakeld heeft voor de correspondentie over de eindnota, is uiteraard haar goed recht. Zij heeft hier vrijwel direct voor gekozen, na de eerste correctie van de eindnota. De ondernemer heeft desgewenst de verdere communicatie met de vertegenwoordiger gevoerd. De kosten van de vertegenwoordiger zijn echter voor de consument, de opdrachtgever in deze. De ondernemer heeft in zijn Algemene Voorwaarden, artikel 18, een duidelijke klachtenprocedure opgenomen. Hier staat ook in welke stappen de klant kan nemen bij een klacht en welke eventuele kosten de ondernemer vergoedt.
Conclusie: de ondernemer heeft een coulante en meedenkende oplossing (een gunst, geen verplichting) geboden op de klacht en verdere verlaging is niet nodig. Het inschakelen van juridische hulp uit eigen beweging is voor kosten van de consument.

Ter zitting bevestigde de consument dat hij akkoord was met de in de eindnota d.d. 29 oktober 2024 gehanteerde meterstanden.

De commissie overweegt dat in deze zaak veel verwarring is veroorzaakt door de onjuiste meterstanden die leidden tot de nota van 1 augustus 2023. Die eindnota kan wegens de onjuiste meterstanden (bijvoorbeeld de eindstand van het hoog tarief elektriciteit is vermeld als 395 waar het 39560 moest zijn; de eindstand van het daltarief is vermeld als 7621 waar het 76219 moest zijn) op geen enkele manier indicatief zijn voor het werkelijke verbruik.

De commissie constateert betreffende het in de laatste nota d.d. 29 oktober 2024 berekende elektriciteitsverbruik dat al het verbruik over de periode 19 april 2022 tot 5 juli 2023 gesaldeerd is (zodat voor het verbruik een getal ten gunste van de consument resteerde) en afgerekend is tegen het tarief van de 3-jaars overeenkomst. De saldering is in het voordeel van de consument omdat de nota d.d. 9 mei 2023 over de periode 19 april 2022 tot 19 april 2023, die vervallen is en welke periode opgenomen is in de nota van 29 oktober 2024, gesaldeerd een ten laste van de consument komend verbruik liet zien van 380 kWh.
Dat afgerekend is tegen het tarief van de 3-jaars overeenkomst (tot april 2023) is in het voordeel van de consument nu dat tarief lager is dan het tarief over de periode daarna. Ter zitting is nog discussie gevoerd over de verdeling van het elektriciteitsverbruik over de gehele periode. De ondernemer heeft toegelicht dat zo optimaal gebruik gemaakt werd van de salderingsregeling. De consument heeft in zijn aan de commissie gerichte brief de nadruk gelegd op de verdeling van het gasverbruik, niet op de verdeling van het elektriciteitsverbruik. De consument heeft betreffende de verdeling van het elektriciteitsverbruik niet aangetoond, en evenmin ter zitting, dat zulks in haar nadeel was, zodat de commissie in zoverre dit klachtonderdeel afwijst.

De commissie constateert betreffende het in de laatste nota d.d. 29 oktober 2024 berekende gasverbruik dat al het verbruik over de periode 19 april 2022 tot 5 juli 2023 afgerekend is tegen het tarief van de 3-jaars overeenkomst. Dat afgerekend is tegen het tarief van de 3-jaars overeenkomst (tot april 2023) is in het voordeel van de consument nu dat tarief lager is dan het tarief over de periode daarna. De door partijen gevoerde discussie over de verdeling van het verbruik over de gehele periode, rekening houdend met de leegstand van de woning na het overlijden van erflaatster, is voor het verbruik niet meer relevant nu afgerekend is tegen het tarief van de 3-jaars overeenkomst.

De commissie overweegt ten aanzien van de netbeheerkosten dat deze door de netbeheerder voor een volgend jaar bepaald worden aan de hand van een ingeschat jaarverbruik. De commissie is van oordeel dat, zo de inschatting niet overeenstemt met het werkelijke verbruik van het volgend jaar, zulks niet leidt tot verplichte herziening van de netbeheerkosten.

De commissie is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat de jaarnota d.d. 29 oktober 2024 het verbruik afrekent op een wijze die voor de consument gunstig is. De ondernemer heeft dat in zijn verweer voldoende toegelicht.

De commissie dient nog te oordelen over de kosten van de vertegenwoordiger. Zij verwijst naar artikel 23 van haar reglement. Het gaat hier om eigen kosten van de consument die voor haar rekening komen. Van een bijzonder geval als bedoeld in dat artikel is geen sprake.

Tot slot is er geen aanleiding het klachtengeld toe te wijzen. De hiervoor als correct beoordeelde jaarnota dateert van 29 oktober 2024; de daarna op 18 november 2024 bij de commissie ingediende klacht over die nota zal, als hiervoor vermeld, afgewezen worden.

De commissie dient ook te beslissen over het bij haar gestorte depot ad € 596,–. De commissie begrijpt uit het vragenformulier van de consument dat de ondernemer een bedrag ad € 1.751,37 vordert (restitutie door de consument van de aan haar uitgekeerde bedragen van de nota’s van 1 augustus 2023 ad € 1.456,61 en van 9 mei 2023 ad € 294,76). Uit het voorgaande volgt dat daarop alleen in mindering dient te strekken de nota van 29 oktober 2024 ad € 864,97, zodat de consument aan de ondernemer € 886,40 verschuldigd is. Het door de consument bij de commissie gestorte depot ad € 596,– dient dan ook aan de ondernemer uitgekeerd te worden.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend. Aan de ondernemer wordt het gehele depotbedrag ad € 596,– uitgekeerd.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter,
de heer ing. C. Verloop, de heer drs. L. van Rootselaar, leden, op 9 mei 2025.

Print/PDF