Advocaat niet verplicht om te procederen volgens commissie

De Geschillencommissie




Commissie: Advocatuur    Categorie: Dienstverlening    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 339091/419839

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een cliënt diende een klacht in tegen zijn advocaat, omdat deze weigerde een incassoprocedure te starten tegen twee bedrijven waarin de cliënt had geïnvesteerd. De advocaat was in 2010 door de Deken aangewezen om rechtsbijstand te verlenen en gaf toen het advies om niet te procederen, omdat de zaak weinig kansrijk was. De cliënt was het hier niet mee eens en wilde alsnog een procedure starten, maar de advocaat bleef dit weigeren. De cliënt vroeg daarom een schadevergoeding van €12.500 om een andere advocaat in te schakelen. De Geschillencommissie Advocatuur oordeelde dat de advocaat niet verplicht was om te procederen, ook al was hij aangewezen door de Deken. Het geven van een advies valt ook onder het verlenen van diensten. De advocaat heeft bovendien het dossier op verzoek van de cliënt overgedragen aan een andere advocaat. De commissie vindt dat de advocaat heeft gehandeld zoals een goed advocaat mag doen en verklaart de klacht ongegrond. De schadevergoeding wordt afgewezen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de weigering van de advocaat om de cliënt rechtsbijstand te verlenen.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De advocaat is in 2010 op grond van artikel 13 van de Advocatenwet door de Deken aangewezen als advocaat van de cliënt. De cliënt kwam in aanmerking voor gefinancierde rechtsbijstand en de toevoeging is op naam van de advocaat gesteld. De cliënt had geïnvesteerd in vastgoed. Omdat het voorgespiegelde rendement niet werd gehaald, had de cliënt de twee verantwoordelijke vennootschappen reeds gesommeerd de ingelegde gelden (vermeerderd met het verwachte rendement) terug te betalen, maar zij zijn niet tot betaling overgegaan. De cliënt heeft de advocaat daarom verzocht een incassoprocedure te starten tegen deze vennootschappen.

De advocaat heeft na de aanwijzing door de Deken een zaaksmemo geschreven. Hij adviseerde daarin geen vordering in te stellen tegen de vennootschappen. De cliënt was het niet eens met dit advies.

Daarna heeft de cliënt nog herhaaldelijk verzocht tot invordering over te gaan, maar de advocaat heeft dit steeds geweigerd. De cliënt heeft de Deken en het Hof van Discipline verzocht een andere advocaat aan te wijzen. Onder verwijzing naar de zaaksmemo van de advocaat zijn deze verzoeken afgewezen. Deze zaaksmemo is inmiddels echter achterhaald. Een mutatie van de toevoeging met betrekking tot het geschil met één van de vennootschappen is inmiddels niet meer mogelijk.

Ter voorkoming van het verstrijken van termijnen en daarmee als schadebeperkende maatregel wil de cliënt een advocaat op betalende basis inschakelen om alsnog een incassoprocedure te starten. Hij acht de advocaat aansprakelijk voor de daarmee samenhangende kosten (inclusief griffierecht), omdat deze heeft gehandeld in strijd met artikel 13 lid 4 van de Advocatenwet en met artikel 24 lid 4 van de Wet op rechtsbijstand. Hij heeft de advocaat tevergeefs gesommeerd tot betaling van een voorschot op deze kosten,

De cliënt verzoekt hem een vergoeding van € 12.500,– toe te kennen, zodat hij alsnog een andere advocaat kan inschakelen en hem de toegang tot de rechter niet langer wordt onthouden.

Standpunt van de advocaat

Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De advocaat is aangewezen door de Deken om te onderzoeken of de cliënt een vordering had op twee vennootschappen. In dit kader is een toevoeging op zijn naam gezet. Op 14 september 2010 heeft de advocaat de cliënt een bevestiging van de afspraken, alsmede een zaaksmemo verzonden. In deze zaaksmemo heeft de advocaat een (eerste) inschatting van c.q. advies over de haalbaarheid van de zaak gegeven. De cliënt zat echter helemaal niet te wachten op een advies en wilde dat er (direct) geprocedeerd zou worden. De advocaat heeft daarom de Deken aangeschreven met de vraag of de aan hem verleende opdracht de ruimte liet om louter een advies te maken zonder daadwerkelijk te procederen, hetgeen het geval bleek. De advocaat heeft de cliënt vervolgens voorzien van een nader advies, waarin hij hem heeft ontraden om een gerechtelijke procedure aan te spannen. Daarbij heeft hij aangegeven daartoe ook niet bereid te zijn. Hij heeft de cliënt laten weten het dossier te zullen sluiten en te zullen archiveren.

De cliënt heeft daarna een klacht tegen de advocaat ingediend bij de Deken. Deze heeft de cliënt bericht dat hij verwachtte dat de klacht ongegrond zou worden verklaard. Vervolgens heeft de advocaat het dossier op verzoek van de cliënt overgedragen aan een andere advocaat. Bijna vijf jaar later heeft de cliënt de advocaat opnieuw verzocht een incassoprocedure te starten. Dit verzoek heeft hij daarna nog twee keer herhaald. De advocaat heeft steeds afwijzend gereageerd op deze verzoeken van de cliënt.

De advocaat is van mening dat hij niet de verplichting had tot het voeren van een gerechtelijke procedure en dat hem de beleidsvrijheid toekwam daarvan af te zien, zodat hem geen toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad kan worden verweten. Er bestaat daarom geen grond voor toekenning van een schadevergoeding. Bovendien is de verjaringstermijn voor het indienen van een vordering tot schadevergoeding verstreken.

De advocaat verzoekt de commissie de klacht van de cliënt ongegrond te verklaren en de door hem verzochte schadevergoeding af te wijzen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat is gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat vast dat de advocaat op grond van artikel 13 van de Advocatenwet door de Deken is aangewezen om bijstand aan de cliënt te verlenen. De cliënt beroept zich op artikel 13 lid 4 van de Advocatenwet. Hierin is bepaald dat de aangewezen advocaat verplicht is zijn diensten te verlenen, De cliënt stelt dat de advocaat op grond van dit artikellid verplicht was de door hem gewenste incassoprocedure te voeren,

De commissie stelt vast dat de advocaat in de brief aan de Deken van 29 september 2010 onder meer heeft geschreven:
Afgezien daarvan meen ik dat in dit geval weinig anders kan dan [naam cliënt] het instellen van een procedure sterk te ontraden. Aangezien ik veronderstel dat ik hem niet kan overtuigen, meen ik tevens dat het mij – ondanks uw aanwijzing – vrij staat die opdracht niet te aanvaarden en mijn dossier te sluiten. Voor de zekerheid verneem ik gaarne uw visie op dit laatste”.

De advocaat heeft onweersproken gesteld dat de Deken hem heeft bevestigd dat hij de opdracht van de cliënt tot het voeren van een incassoprocedure niet hoefde te aanvaarden. Naar het oordeel van de commissie heeft de advocaat hiermee tevens voldaan aan zijn verplichting diensten te verlenen in de zin van de artikel 13 lid 4 Advocatenwet. De commissie verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad van Discipline ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:TADRSHE:2022:136 Raad van Discipline ‘s-Hertogenbosch 22-025/DB/OB) waarin het volgende is overwogen:
Waar de voorzitter heeft overwogen dat een advocaat – ook al is deze op de voet van artikel 13 Advocatenwet aangewezen – niet verplicht is de zaak te behandelen indien hij de zaak te weinig kansrijk acht of meent dat hij over onvoldoende expertise beschikt, is de raad met de voorzitter van oordeel dat ook inschatting dat de zaak te weinig kansrijk is, kwalificeert als het ‘verlenen van zijn diensten’ in de zin van artikel 13 lid 4 Advocatenwet” Anders dan de cliënt stelt, bestond er voor de advocaat – ondanks de aanwijzing – dus geen verplichting om te procederen. Een dergelijke verplichting kan naar het oordeel van de commissie ook niet worden afgeleid uit artikel 24 lid 4 van de Wet op de rechtsbijstand.

De commissie stelt voorts vast dat de advocaat bij brief van 27 december 2010 de zaak heeft overgedragen aan een andere advocaat. Uit deze brief komt onweersproken naar voren dat de overdracht op verzoek van de cliënt heeft plaatsgevonden. Daarmee is naar het oordeel van de commissie ook de verplichting van de advocaat tot bijstandsverlening op grond van de aanwijzing van de Deken geëindigd. Dat de advocaat niet heeft voldaan aan de latere verzoeken van de cliënt om alsnog de door hem gewenste incassoprocedure te entameren, maakt dat niet anders en kan de advocaat dan ook niet worden verweten.

Uit het voorgaande volgt dat de advocaat heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk handelende en redelijk bekwame advocaat. De klacht van de cliënt is dan ook ongegrond. Dit betekent dat de door de cliënte verzochte vergoeding zal worden afgewezen, nog daargelaten dat van schade door toedoen van de advocaat niet is gebleken. De cliënt heeft bovendien ten aanzien van zijn standpunt dat deze vergoeding is bedoeld als schadebeperkende maatregel, onvoldoende gesteld en onvoldoende onderbouwd.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt beslist als volgt.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht van de cliënt ongegrond en wijst het door hem verzochte af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. N. Schaar, voorzitter, mevrouw mr. H.M.J. van den Hurk en de heer H.W. Zuur, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 22 oktober 2024.

Print/PDF