Commissie: Advocatuur
Categorie: dienstverlening/ informatieverstrekking
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
269721/502239
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een cliënte diende een klacht in tegen haar advocaat, die haar had bijgestaan in een echtscheidingsprocedure. De Raad voor Rechtsbijstand trok de toevoegingen (gesubsidieerde rechtsbijstand) in, omdat de cliënte volgens hen een financieel resultaat had behaald. De advocaat bevestigde dit standpunt tegenover de Raad, ondanks het bezwaar van de cliënte. Later oordeelde de Raad dat de toevoegingen ten onrechte waren ingetrokken en herstelde deze. De Geschillencommissie Advocatuur stelde vast dat de advocaat onzorgvuldig had gehandeld door het bezwaar van de cliënte niet te ondersteunen en haar financiële belangen te verwaarlozen. De klacht werd gegrond verklaard. De advocaat moet het klachtengeld van €102,50 vergoeden en het depotbedrag van €8.615,71 wordt aan de cliënte terugbetaald. De gevraagde immateriële schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de intrekking van de toevoegingen van de cliënte en de advisering en informatieverstrekking hierover door de advocaat.
De cliënte heeft een bedrag van € 8.615,71 niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.
Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De advocaat heeft verzwegen om de cliënte te informeren over de mogelijke intrekking van de toevoeging met terugwerkende kracht. De cliënte heeft bericht ontvangen van de Raad van Rechtsbijstand dat de aan haar afgegeven toevoegingen zijn ingetrokken ten gevolge van resultaatsbeoordeling. De advocaat heeft de cliënte op 18 september 2023 een prognose factuur gestuurd en onderaan de brief tevens vermeld dat ze is vertrokken bij het kantoor. De advocaat wist van het vermogen dat de cliënte had gekregen na verkoop van haar woning op 30 september 2020.
De advocaat kon weten dat wat de cliënte in het convenant had gevraagd het drempelbedrag zou overschrijden en had de cliënte daarop attent moeten maken, maar heeft gedurende de hele procedure hierover gezwegen. De cliënte eist dat de factuur vernietigd wordt. De cliënte heeft nooit gelden ontvangen tijdens of na de rechtszaak en er is haar nooit verteld over een drempelbedrag. Ook eist zij immateriële vergoeding wegens gezondheidsschade.
Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken.
De advocaat stelt dat de verzonden declaraties aan de cliënte zijn gecrediteerd en gaat ervan uit de zaak hiermee is opgelost.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.
Vaststaat dat de advocaat de cliënte heeft bijgestaan in een echtscheidingsprocedure (bodemprocedure en hoger beroepsprocedure). Voor beide procedures is aan de cliënte een toevoeging verstrekt.
Bij besluit van 6 december 2023 heeft de Raad voor Rechtsbijstand de toevoegingen ingetrokken. De reden hiervoor was dat de cliënte een resultaat had behaald uit de procedure, waardoor haar vermogen boven het drempelbedrag als bedoeld in artikel 34 lid g onder b Wet op de rechtsbijstand (Wrb) was gekomen en zij niet langer voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking kwam. De cliënte heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De advocaat is door de Raad voor Rechtsbijstand gevraagd om een reactie op het bezwaar. De advocaat heeft hierop aangegeven dat de werkzaamheden in beide zaken niet zozeer tot het resultaat hebben geleid, maar wel dat het resultaat behouden bleef. De advocaat stelt dat dat de ex-partner van de cliënte had verzocht om vernietiging van het convenant. Indien de advocaat geen verweer had gevoerd en de rechtbank het verzoek had toegewezen, had de cliënte de opbrengst van de woning alsnog moeten verdelen. Uitkomst van de procedure was dat het convenant in stand bleef en de ex-partner de opbrengst van zijn huis en de cliënte de opbrengst van haar huis behield. Het bezwaar van de cliënte is op 1 maart 2024 ongegrond verklaard. De advocaat heeft vervolgens haar kosten bij de cliënte in rekening gebracht.
De cliënte is tegen de beslissing van de Raad voor Rechtsbijstand van 1 maart 2024 in beroep gegaan bij de rechtbank. Hangende de beroepsprocedure heeft de Raad voor Rechtsbijstand op 29 juli 2024 een herzien besluit op bezwaar genomen, waarbij beide toevoegingen zijn hersteld. De Raad is met terugwerkende kracht van oordeel dat de toevoegingen ten onrechte zijn ingetrokken. De cliënte en haar ex-partner hebben bij de scheiding van tafel en bed in 2017 afspraken gemaakt over de boedelverdeling, welke afspraken zijn vastgelegd in een convenant d.d. 27 juli 2017. Daarbij zijn de twee woningen van partijen verdeeld, in die zin dat de cliënte de ene woning heeft gekregen en de ex-partner de andere woning. De Raad stelt dat, als de verdeling van de woningen al onderdeel is van de zaak waarvoor de toevoegingen zijn verstrekt, het resultaat niet de overwaarde zou zijn, maar de woning die de cliënte heeft gekregen. Onroerende zaken kunnen niet worden aangemerkt als resultaat in de zin van artikel 34g Wrb. De cliënte heeft weliswaar later de woning verkocht, maar dat staat los van de procedure in 2017 en de procedures waarvoor de toevoegingen zijn verstrekt. Het geld dat de cliënte heeft ontvangen als gevolg van de verkoop van de woning is dan ook geen resultaat dat aan de onderhavige toevoegingen kan worden toegeschreven en evenmin vindt achteraf een nieuwe vermogenstoets plaats.
Bij brief van 4 september 2024 laat de advocaat aan de commissie weten zich neer te zullen leggen bij het herzien besluit op bezwaar van de Raad voor Rechtsbijstand, waarin de toevoegingen worden hersteld en dat de aan de cliënte verzonden declaraties zullen worden gecrediteerd en de vaststellingen vergoeding door de Raad van Rechtsbijstand in stand zullen blijven.
Alles overziend is de commissie van oordeel dat, alhoewel het de Raad voor Rechtsbijstand is die de beoordeling maakt en heeft besloten de toevoegingen in te trekken, de advocaat in deze niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwame advocaat verwacht mag worden. De advocaat heeft weliswaar de cliënte erop gewezen, onder meer in de bevestigingsmail d.d. 31 maart 2022 terzake het hoger beroep, dat na afloop van de zaak de Raad voor Rechtsbijstand een resultaatsbeoordeling kan uitvoeren waardoor het mogelijk is dat de gefinancierde rechtshulp alsnog wordt ingetrokken, maar de stelling van de advocaat dat sprake is geweest van een behaald resultaat door de procedure, althans dat het resultaat behouden bleef, is niet juist geweest. Door dit standpunt ook kenbaar te maken aan de Raad voor Rechtsbijstand tijdens de bezwaarprocedure en zich op het standpunt te stellen dat de toevoegingen terecht zijn ingetrokken, en hierbij voorbij is gegaan aan het gemotiveerde bezwaar van de cliënte dat dit niet terecht is geweest, heeft de advocaat de (financiële) belangen van de cliënte veronachtzaamd. Niet is gebleken dat de advocaat heeft ingezien dat hij onjuist heeft gehandeld. De advocaat geeft slechts aan dat de facturen worden gecrediteerd en dat daarmee de zaak is afgedaan. De commissie meent dat de advocaat met deze houding geen blijk geeft van begrip voor de lastige situatie waarin de cliënte heeft gezeten door het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand de toevoegingen in te trekken en de moeite die het de cliënte heeft gekost om dit ongedaan te maken.
Gelet op het bovenstaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.
Omdat de declaraties van de advocaat zijn gecrediteerd en de cliënte geen betaling meer verschuldigd is aan de advocaat, zal het in depot gestorte bedrag aan de cliënte worden terugbetaald. Terzake de door de cliënte gevorderde vergoeding wegens emotionele en immateriële schade is de commissie van oordeel dat deze vordering onvoldoende is onderbouwd en evenmin dat tussen de gestelde schade en het handelen van de advocaat een aantoonbaar oorzakelijk verband is vast te stellen. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– Verklaart de klacht van de cliënte gegrond;
– Bepaalt dat de advocaat overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 102,50 aan de cliënte dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld, welke betaling binnen vier weken na de verzenddatum van dit bindend advies dient te zijn ontvangen;
– Bepaalt dat de advocaat overeenkomstig het reglement van de commissie een bijdrage in de behandelingskosten aan de commissie is verschuldigd;
– Wijst af de vordering tot schadevergoeding;
– Bepaalt dat het in depot gestorte bedrag van € 8.615,71 aan de cliënte wordt overgemaakt.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. A.G.M. Zander, voorzitter, de heer mr. I.L. Haverkate, de heer H.W. Zuur, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 6 december 2024.