Commissie: Voertuigen
Categorie: (non)conformiteit
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies na tussen advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
229781/264146
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument diende een klacht in over een defect rollager in de versnellingsbak van zijn auto. Uit het DEKRA-rapport bleek dat het achterste rollager van de secundaire as vroegtijdig was versleten, zonder sporen van abnormaal gebruik. Volgens DEKRA had het lager een levensduur van 300.000 km moeten hebben, terwijl het defect al na 84.500 km optrad. De Geschillencommissie Voertuigen oordeelde dat sprake was van non-conformiteit bij levering en kende 75% van de herstelkosten toe, oftewel €2.125. Daarnaast werd €825 toegekend voor vervangend vervoer in de eerste maand en €1.566,95 voor het DEKRA-onderzoek. De klacht werd gegrond verklaard.
De volledige uitspraak
BINDENDADVIES NA TUSSENADVIES
Geschillencommissie Voertuigen
Zaaknummer 229781/264146
Het rapport van DEKRA Automotive
Na tot in delen demontage van de handgeschakelde versnellingsbak heeft de behandelaar van DEKRA, M. van der Stelt, het volgende als oorzaak en conclusie gerapporteerd.
Er is sprake van een defect achterste rollager van de secundaire-as van de versnellingsbak. De aangetroffen beschadigingen, kraters in de rollen en de bijbehorende lagerschaal, aan het rollager verklaren het waargenomen afwijkende “zoemende/ brommende” geluid tijdens het rijden.
Het defect geraken van een betreffend rollager kent meerdere oorzaken, zoals: • Slechte kwaliteit van smering; • Overbelasting dan wel zware belasting afhankelijk van rij-omstandigheden; • Slijtage; • Gebrekkige kwaliteit; • Montage/ productiefout.
Het schadebeeld kenmerkt zich als voorkomende slijtage, waarbij de smeerfilm is doorbroken en er metallisch contact is ontstaan, met beschadigen van het oppervlak van de rollagers en de lagerschaal als gevolg. Hierbij willen wij opmerken dat de levensduur van een versnellingsbaklager sterk afhankelijk is van de belasting van het voertuig.
Door ons zijn geen sporen vastgesteld welke duiden op “abnormaal” gebruik van het voertuig, waardoor men kan spreken van het vroegtijdig defect geraken van het achterste rollager van de secundaire-as.
Onder normale omstandigheden en bij normaal gebruik van het voertuig, zijn wij van mening dat een versnellingsbak dan wel versnellingsbaklager, 300.000 kilometer dient mee te gaan alvorens “versleten” te zijn. Derhalve kan men in het huidige stadium spreken van vroegtijdige slijtage dan wel een technisch gebrek.
Er blijkt, aldus verkregen documentatie en de door ons vastgestelde kilometerstand, na aanschaf van het voertuig door de huidige eigenaar van het voertuig bij de wederpartij tot aan ons bezoek, 73.894 kilometer met het voertuig te zijn gereden.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Bij het tussenadvies is de consument toegelaten DEKRA een fysiek onderzoek te doen verrichten van de versnellingsbak na demontage ervan in delen, zulks anders dan de door de commissie aangestelde deskundige. In zoverre geeft het rapport van DEKRA een helder inzicht in de oorzaak van de klacht van de consument.
Zoals blijkt uit voorgaand citaat uit het rapport heeft DEKRA geen sporen vastgesteld die duiden op abnormaal gebruik van de auto. Terwijl onder normale omstandigheden en bij normaal gebruik van de auto een versnellingsbak(lager) 300.000 km dient mee te gaan alvorens te zijn versleten, duidt het geconstateerde defect van de achterste rollager van de secondaire as na circa 84.500 km volgens de expertise van DEKRA op vroegtijdige slijtage dan wel een technisch gebrek. In het kader van de aan DEKRA voorgelegde vraagstelling wordt onder meer nog opgemerkt dat er sprake van een kwaliteitsprobleem van het rollager omdat deze de te verwachten levensduur niet heeft gehaald.
Nu niet is gebleken van abnormale omstandigheden of abnormaal gebruik acht de commissie de bevindingen van DEKRA concludent en maakt die tot de hare. Gelet op het geconstateerde kwaliteitsprobleem van het defecte rollager die de vroegtijdige slijtage heeft veroorzaakt, is naar het oordeel van de commissie sprake van non-conformiteit ten tijde van levering, die de ondernemer jegens de consument schadeplichtig maakt.
Aan de consument is door de firma [naam] een bedrag van € 2.834,29 in rekening gebracht voor het herstel van het defect. Gelet op het feit dat de consument 73.894 km heeft gereden voordat het defect manifest werd en het rollager volgens DEKRA normaliter 300.000 km mee had moeten gaan, dient voormeld schadebedrag tot 75% voor rekening van de ondernemer te komen, afgerond een bedrag van
€ 2.125,–.
Wat betreft de door de consument gevorderde vergoeding voor de kosten van vervangend vervoer, die in totaal een veelvoud van de herstelkosten bedragen, oordeelt de commissie als volgt. Op degene die schadevergoeding van een derde vordert rust een wettelijke plicht tot schadebeperking. In dit geval had van de consument, die bijgestaan is door een jurist, verwacht mogen worden dat zij, toen de ondernemer niet ontvankelijk bleek voor haar klacht, de auto direct had laten herstellen met expertise en documentatie van het geconstateerde defect. Ook toen de geschillenbeslechting vertraging opliep heeft zij daarvoor niet gekozen en heeft zij de kosten voor vervangend vervoer steeds laten oplopen zodat thans sprake is van onverantwoorde disproportionaliteit tussen de herstelkosten en de kosten van vervangend vervoer. De consument heeft in dit verband nog aangevoerd dat zij van een medewerker van de Geschillencommissie het advies had gekregen om de auto te laten in de defecte toestand totdat een deskundige de klacht had onderzocht, maar daarvan ziet de commissie in het digitale dossier geen bewijs of aanwijzing. Hoe dat ook zij, op de consument en haar juridisch adviseur rust in deze een eigen verantwoordelijkheid die zij niet bij derden kunnen leggen. De kosten voor vervangend vervoer komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De commissie maakt daarop enkel een uitzondering voor de eerste maand, waarin zij de auto voor herstel en expertise had kunnen aanbieden aan een garagebedrijf. De vergoeding wordt aldus slechts tot een bedrag van € 825,– toegewezen.
Omdat het door de commissie geëntameerde deskundigenonderzoek bij gebreke van demontage geen uitsluitsel over de klacht heeft kunnen bieden, worden het onderzoek en de rapportage van DEKRA beschouwd als noodzakelijk voor het bepalen van de aansprakelijkheid in deze, zodat de daaraan verbonden kosten ad € 1.566,95 voor rekening van de ondernemer dienen te worden gebracht.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De ondernemer dient binnen 14 dagen na verzending van deze uitspraak aan de consument voormelde bedragen van € 2.125,–, € 825,– en € 1.566,95 te betalen.
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van
€ 127,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Voertuigen, bestaande uit de heer mr. R.J. van Boven, voorzitter, de heer P.G. Nieuwenhuijse, mevrouw mr. E.J.P.J.M. Kneepkens, leden, op 19 mei 2025.
De uitspraak die de commissie heeft gedaan, is bindend voor beide partijen en vormt het sluitstuk van de procedure. De commissie kent geen mogelijkheid om tegen de uitspraak in beroep te gaan of deze te herzien. Ook niet in het geval van nieuwe feiten of argumenten. U kunt wel binnen 2 maanden na de verzenddatum van de uitspraak aan de burgerlijke rechter vragen de uitspraak te vernietigen. De andere partij heeft die mogelijkheid ook.
De rechter kan de uitspraak vernietigen als hij vindt dat de uitspraak onaanvaardbaar is; inhoudelijk of door de wijze van totstandkoming. Wanneer de uitspraak niet binnen 2 maanden door een van de partijen aan de burgerlijke rechter is voorgelegd door dagvaarding van de andere partij, kan de uitspraak niet meer ongedaan gemaakt worden.