Commissie: Water
Categorie: grondslag en/of hoogte tarief
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: deels gegrond
Referentiecode:
933186/973941
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Na negen jaar van geschatte meterstanden bracht de ondernemer het verbruik van de afgelopen vijf jaar alsnog in rekening, maar gebruikte daarbij de tarieven van de laatste twee jaren. De consument betwistte zowel het verbruik als de tarieven. De Geschillencommissie Water oordeelde dat het verbruik correct was berekend, maar dat de ondernemer verplicht is om het verbruik af te rekenen tegen de tarieven van de betreffende jaren. De klacht werd deels gegrond verklaard. De consument ontvangt € 27,50 klachtengeld terug, het resterende depotbedrag van € 346,10 gaat naar de ondernemer.
De volledige uitspraak
Samenvatting
Nadat negen jaar de meterstanden geschat zijn, berekent de ondernemer het niet afgerekende verbruik van de afgelopen vijf jaar tegen de huidige tarieven. De consument stelt zowel de periode als het tarief ter discussie.
Beoordeling
In de periode 9 september 2015 tot en met 1 september 2024 zijn de meterstanden van de consument geschat. Door de ondernemer is, volgens de consument, de afgelopen twee jaar teruggerekend, maar er staan volgens de beide herziene jaarnota’s bedragen open ad € 14,74 en € 91,64. Omdat de consument stelt een automatische incasso te hebben gehad, kunnen zijns inziens geen bedragen openstaan. De consument meent dat redelijk is als hem € 142,44 berekend wordt. Hij vordert dan ook correctie van het meerverbruik, rekening houdend met verjaring. Ook vordert hij dat rekening gehouden wordt met de tarieven van de afgelopen twee jaar. Ten slotte betwist hij voornoemde openstaande bedragen.
De ondernemer betoogt rekening houdend met een verjaringstermijn van vijf jaar de jaarafrekeningen over 1 november 2022 tot en met 13 oktober 2023 en over 14 oktober 2023 tot en met 31 oktober 2024 herzien te hebben. De oorspronkelijke nota’s zijn vervallen. In de herziene nota’s heeft hij naast het verbruik van die twee jaar het meerverbruik van de afgelopen vijf jaar in rekening gebracht.
De commissie overweegt dat de verjaringstermijn voor water gerelateerde zaken vijf jaar is (artikel 7:5 lid 3 juncto 3:307 Burgerlijk Wetboek). Dat betekent dat de ondernemer het niet in rekening gebrachte verbruik van die vijf jaar alsnog in rekening mag brengen (het hiervoor bedoelde meerverbruik). Dat zou anders kunnen zijn indien de ondernemer onvoldoende inspanning heeft gedaan om jaarlijks meterstanden op te vragen. Ter zitting is, anders dan in de stukken is terug te lezen, door de consument erkend dat hij jaarlijks een dergelijk verzoek kreeg in zijn e-mailbox. Dat hij niet vaak in die e-mailbox keek is voor zijn rekening en risico. Hoewel de commissie daaraan geen consequenties verbindt, merkt zij terzijde op dat negen jaar zonder verdere actie van de kant van de ondernemer bepaald lang is. De consument heeft in zijn reactie na de zitting de verjaringstermijn van vijf jaar erkend.
Vervolgens is aan de orde hoe hoog het meerverbruik bedraagt. De ondernemer heeft in zijn herziene jaarnota’s een verbruik van 155 en 333 m³ berekend. De consument stelt in zijn pleitnota dat het meerverbruik bij een verjaringstermijn van vijf jaar 257 m³ mag bedragen en dat het daarom onjuist is dat de ondernemer in de beide herziene jaarnota’s in totaal 488 (155+333) m³ heeft berekend. Hij ziet daarbij echter over het hoofd dat de beide jaarnota’s herziene nota’s zijn, zodat het niet alleen om meerverbruik maar ook om het verbruik in die twee jaar gaat. Omdat het verbruik van die twee jaren 111 en 120 m³ was, kan de ondernemer, uitgaande van het door de consument genoemde meerverbruik van 257 m³ in totaal 257+111+120 m³ in rekening brengen, oftewel 488 m³, hetgeen hij in de beide jaarnota’s gedaan heeft. De ondernemer heeft dan ook met de beide jaarnota’s een correct verbruik afgerekend.
De consument noemt nog in zijn reactie na de zitting dat uitgegaan moet worden van 695 m³. Dat getal is inderdaad door een medewerkster van de ondernemer genoemd maar ziet op het verbruik van 1 november 2022 tot 31 oktober 2024 volgens de vervallen nota’s. Zij schrijft dan ook “Door de wettelijke navorderingstermijn van 5 jaar brengen wij niet het volledige verbruik van 695 m³ maar 488 m³ in rekening”. Het meerverbruik laat zich berekenen door begin- en eindstand van die negen jaar te vergelijken (1752 en 194) en daarvan af te trekken het in die negen jaar berekende verbruik (1094). Het resultaat van die berekening (464) is het meerverbruik in negen jaar, derhalve moet voor vijf jaar 5/9 daarvan genomen worden, zijnde de hiervoor genoemde 257 m³.
De consument heeft ook geklaagd over het toegepaste tarief. Daarover heeft de ondernemer ter zitting gezegd dat hij volgens de toepasselijke Algemene Voorwaarden (artikel 14 lid 2) bevoegd is het tarief te bepalen. Daarbij komt dat zijn systemen oude tarieven niet meer kunnen toepassen. De commissie is het met de consument eens dat bij terugrekening van verbruik over diverse jaren, het tarief van het betreffende jaar toegepast dient te worden. De bevoegdheid van de ondernemer strekt niet zover dat hij kan afwijken van door hem gepubliceerde tarieven van een bepaald jaar. Dat zijn systemen dat niet kunnen berekenen, betekent niet dat hij het tarief van de laatste twee jaar kan toepassen. Handmatige berekening lijkt voor de hand te liggen. In zoverre heeft de consument gelijk. De commissie zal bepalen dat de ondernemer dienovereenkomstig dient te handelen.
Wat betreft de openstaande bedragen ad € 14,74 en € 91,64 heeft de ondernemer verklaard dat die bedragen op de herziene jaarnota’s verschenen zijn nadat de oude nota’s vervallen waren. Die bedragen zijn echter niet door de consument verschuldigd en ook niet aan hem berekend.
Uit het voorgaande volgt dat de consument deels (namelijk alleen ten aanzien van de toegepaste tarieven) in het gelijk wordt gesteld. De ondernemer dient dan ook het klachtengeld aan de consument te vergoeden.
De ondernemer heeft desverzocht na de zitting nog de beide vervallen jaarnota’s ingebracht en tevens het openstaande bedrag verklaard. Het openstaande bedrag is de som van de beide herziene jaarnota’s minus het door de consument op de jaarnota 2022/2023 betaalde bedrag, derhalve € 76,90+€ 303,96-€ 7,26 ofwel €373,60. Dat bedrag is door de consument in depot gestort. Op dat bedrag zou echter in mindering moeten strekken de uitkomst van de herziening op basis van de tarieven van de vijf berekende jaren. De commissie kan dat niet vaststellen. Zij zal dan ook bepalen dat het gehele in depot gestorte bedrag minus het door de ondernemer te vergoeden klachtengeld (€ 373,60 minus € 27,50), derhalve € 346,10, aan de ondernemer toekomt en € 27,50 aan de consument. Zij vertrouwt erop dat de ondernemer de herrekening aan de hand van de toe te passen tarieven zal maken en het daaruit voortkomende bedrag aan de consument zal vergoeden. Mocht daarover een probleem ontstaan, dan is de consument gerechtigd een nieuwe klacht in te dienen.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ten dele gegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De ondernemer dient de jaarnota’s 2022/2023 en 2023/2024 te herzien in dier voege dat het daarin vermelde verbruik afgerekend wordt tegen het tarief van het jaar waarop het afgerekende verbruik ziet.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend. Van het in depot gestorte bedrag ad € 373,60 wordt € 27,50 aan de consument uitgekeerd en € 346,10 aan de ondernemer.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Water, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter, de heer mr. E.F. Verduin, de heer H.H. van der Linden, leden, op 27 mei 2025.