Consument ontheven van depotverplichting; ondernemer krijgt dossierinstructies

  • Home >>
  • Energie >>
De Geschillencommissie




Commissie: Energie    Categorie: Kosten / Depot    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: tussenadvies   Uitkomst: aanhouding beslissing   Referentiecode: 852204/960873

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument kon het openstaande bedrag van € 1.385,80 niet in depot storten vanwege beperkte financiële middelen. De Geschillencommissie Energie verleende daarom ontheffing van de depotverplichting. Daarnaast gaf de commissie de ondernemer aanwijzingen over de samenstelling van het dossier, waaronder het aanleveren van de overeenkomst, algemene voorwaarden en bewijs van naleving van precontractuele informatieplichten. Deze instructies zijn gebaseerd op recente rechtspraak en dienen ter waarborging van een eerlijke procedure.

De volledige uitspraak

Samenvatting

De consument wordt ontheven van de verplichting depot te storten. De commissie geeft aanwijzingen aan de ondernemer met betrekking tot de samenstelling van het dossier.

Beoordeling

Het reglement van de commissie bepaalt dat de commissie, indien de consument de betaling van een goed of dienst waarover het geschil gaat, achterwege heeft gelaten, in de regel zal verlangen dat de consument een bedrag ten hoogste gelijk aan het nog openstaande bedrag bij haar deponeert.

Kern van de geschillenregeling is dat de ondernemer moet gedogen dat een geschil door de commissie wordt behandeld, als de consument dit wenst. Hiertegenover staat dat de ondernemer verzekerd moet zijn van de betaling van datgene dat volgens de commissie verschuldigd is. Die zekerheid wordt verkregen door de in het reglement van de commissie voorgeschreven depotstorting. De consument lijdt hierdoor geen nadeel, omdat hij het depotbedrag terugkrijgt indien en voor zover de vordering van de ondernemer wordt afgewezen. Derhalve is de consument in beginsel verplicht tot depotstorting. Van die verplichting kan geen ontheffing worden verleend enkel op de grond dat de depotstorting de consument slecht uitkomt of op grond van een inhoudelijke beoordeling van de vordering van de ondernemer door de commissie. Het past de commissie niet zich reeds een oordeel te vormen over het geschil voordat partijen hun standpunt hebben kunnen toelichten. De depotstorting staat naar zijn aard in beginsel los van een inhoudelijk oordeel over de vordering van de commissie en dient uitsluitend als zekerheid voor de betaling van de vordering van de ondernemer.

Slechts in het geval door de consument aannemelijk is gemaakt dat hij niet over de financiële middelen beschikt om de verlangde depotstorting te doen, kan er naar redelijkheid en billijkheid aanleiding bestaan gehele of gedeeltelijke ontheffing te verlenen.

Het geschil heeft betrekking op de jaarrekening 2023/2024 ten bedrage van € 946,80. Volgens het vragenformulier staat nog een bedrag van € 1.385,80 open. Naar het oordeel van de commissie staat het inkomen van de consument niet toe dat hij dit bedrag in depot bij de commissie stort. Daarom zal de commissie de consument ontheffen van de verplichting depot te storten.

De commissie ziet aanleiding in het kader van de dossiervorming de ondernemer op het volgende te wijzen.

In lijn met de overheidsrechter rekent de commissie het tot haar taak zo nodig ambtshalve te onderzoeken of voldaan is aan de essentiële informatieplichten in de zin van afdeling 5.2B van Boek 6 BW bij het tot stand komen van een overeenkomst met een consument. Dit volgt uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677 (met name rov. 3.1.7, 3.1.9, 3.1.10 en 3.1.11). Het betreft informatie die volgens artikel 6:230m lid 1 aanhef BW op duidelijke en begrijpelijke wijze aan de consument moet worden verstrekt vóórdat de consument gebonden is aan de overeenkomst (hierna ook wel aan te duiden als precontractuele informatieplichten).

Voorts moet de commissie ambtshalve onderzoeken of de bedingen die op de vervolgens gesloten overeenkomst van toepassing zijn, eerlijk zijn.

Om deze toetsen te kunnen uitvoeren moet de commissie beschikken over de voor de beslissing van belang zijnde feiten en stukken. Het ligt op de weg van de ondernemer om deze aan te leveren. De eisen van een goede procesorde brengen met zich mee dat de ondernemer de voor de beslissing van belang zijnde stukken uiterlijk bij verweer volledig en naar waarheid aanlevert aan de commissie. Ook wanneer de ondernemer geen verweerschrift indient dient de ondernemer de voor de beslissing van belang zijnde stukken -voorover deze zich niet al in het dossier bevinden – aan te leveren. In het algemeen gaat het dan om de (ondertekende) overeenkomst en de toepasselijke algemene voorwaarden en andere regelingen waarop de ondernemer zich beroept die op de overeenkomst van toepassing zijn en als algemene voorwaarden zijn aan te merken.

Als de ondernemer deze stukken niet aanlevert, kan de commissie, mede gelet op artikel 18 lid 2 (NB dat kan per commissie verschillen) van haar reglement, daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.

Correcte naleving van de precontractuele informatieplichten moet worden onderbouwd, bijvoorbeeld met printscreens, belscripts of andere stukken, die inzicht geven in de bestelprocedure van de ondernemer. Indien precontractuele informatie in de algemene voorwaarden wordt opgenomen, moet worden voldaan aan de vereisten genoemd in het Tiketa-arrest (HvJ EU 24 februari 2022 ECLI:EU:C:2022:112). Ter onderbouwing van de stelling dat in de algemene voorwaarden (een deel van) de verplichte precontractuele informatie is opgenomen, moet worden vermeld waar die informatie in de algemene voorwaarden is opgenomen.

Uit: ECLI:NL:HR:2016:236: “Teneinde een effectieve bescherming van de consument te verzekeren die aan de specifieke omstandigheden van het geval is aangepast, kan een maatregel als het vernietigen van de overeenkomst passend zijn, voor zover daardoor de niet-nakoming van een verplichting wordt bestraft waarvan de vervulling essentieel is voor de wilsvorming van de consument en voor het bereiken van het door de Uniewetgever gewenste beschermingsniveau (HvJEU 17 december 2009, C-227/08 (Martín
Martín), punten 31-34; vgl. ook HvJEU 3 oktober 2013, C-32/12, ECLI:EU:C:2013:637 (Duarte Hueros/Autociba), punten 39-43).”

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De consument wordt ontheven van de verplichting depot te storten.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. D.J. Buijs, voorzitter, de heer mr. F.J. Pirard, de heer drs. L. van Rootselaar, leden, op 5 maart 2025.

Print/PDF