Commissie: Private Lease
Categorie: -
Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies na tussen advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
32489/42891
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een student van 20 jaar met een tijdelijk 0-urencontract sloot een private leaseovereenkomst af bij ondernemer. Toen zijn inkomen wegviel en hij de verplichtingen niet meer kon nakomen, ontstond een geschil over de toerekening van de schade. De leasemaatschappij stelde dat zij zorgvuldig had gehandeld door de Draagkrachtnormen van het Keurmerk Private Lease toe te passen, waarbij zij 70% van het loon in aanmerking had genomen. De Geschillencommissie oordeelde echter dat bij duidelijke risico’s zoals ontbrekende inkomenszekerheid, toepassing van die normen niet volstaat. De ondernemer had moeten onderkennen dat de consument geen stabiel inkomen had, en dus geen langdurige verplichting kon aangaan. De commissie benadrukte dat private lease maatschappijen ook een zorgplicht richting consumenten hebben. Hoewel de leasemaatschappij het risico bewust nam, droeg ook de consument verantwoordelijkheid voor het aangaan van het contract. Beide partijen hadden dus onvoldoende rekening gehouden met het risico op wanbetaling. De commissie oordeelde dat de beëindigingskosten en incassokosten niet aan de consument konden worden doorberekend. De overige kosten, waaronder openstaande termijnen en schade, moest de consument wel voldoen.
De uitspraak
Behandeling van het geschil
De Geschillencommissie Private Lease (verder te noemen: de commissie) heeft bij tussenadvies d.d. 19 november 2020 de eindbeslissing aangehouden. De inhoud van dit tussenadvies moet als hier ingevoegd worden beschouwd.
De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.
Het geschil is opnieuw behandeld op 9 april 2021.
Het geschil en de standpunten van partijen
Hiervoor verwijst de commissie naar het tussenadvies van 19 november 2020. Zakelijk weergegeven verlangt de consument van de ondernemer een schadevergoeding wegens onzorgvuldig handelen bij de totstandkoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst.
De verdere beoordeling
In het eerder gegeven tussenadvies heeft de commissie een aantal vragen voorgelegd aan partijen.
In zijn algemeenheid voert de ondernemer aan dat zij van mening is dat zij bij het aangaan van overeenkomsten als de onderhavige geen acht hoeft te slaan op de specifieke financiële omstandigheden van elke aanvrager. De ondernemer is van mening dat zij in voldoende mate zorgvuldig handelt door toepassing van de “Draagkrachtnormen Keurmerk Private Lease 2018-2019”, waarvan zij bij haar reactie een kopie als bijlage in het geding heeft gebracht. De ondernemer voert aan dat het bij de aantallen aanvragen ook niet doenlijk is om in elk individueel geval naar de specifieke financiële achtergrond van een aanvrager te kijken.
De ondernemer heeft vervolgens uitgelegd dat en hoe zij de draagkrachtnormen heeft toegepast en waarom zij daarbij toch een overeenkomst heeft aangeboden, ondanks het feit dat een werkgeversverklaring niet werd overgelegd. In verband met die omstandigheid heeft de ondernemer bij toepassing van de draagkrachtnormen slechts 70% van het berekende maandloon in aanmerking genomen als het inkomen van de consument. De ondernemer voert daartoe aan dat de consument een tijdelijk contract had en dat bij het niet verlengen daarvan aanspraak ontstaat op een WW-uitkering van 70% van het laatstgenoten loon.
Er bestaat volgens de ondernemer geen wettelijk vastgesteld minimuminkomen voor het aangaan van een overeenkomst als de onderhavige. Leasemaatschappijen mogen zelf bepalen welk risico zij willen nemen bij het aangaan van een overeenkomst. Hun zorgplicht strekt niet verder dan de toepassing van de draagkrachtnormen.
De commissie kan de ondernemer in deze stellingname niet, althans niet volledig, volgen. Hoewel de financiële wetgeving inzake kredietverlening niet van toepassing is op private leasecontracten en bij dergelijke contracten feitelijk sprake is van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd, brengt het bijzonder karakter van de overeenkomst wel met zich mee dat de huurder, de consument, de overeenkomst niet tussentijds kan opzeggen, zonder dat daar een financiële consequentie aan verbonden is. Wanneer bij een aanvraag gegronde twijfel kan rijzen rond de vraag of een aanvrager in staat zal zijn om de financiële consequenties van de te sluiten overeenkomst na te komen, volstaat het naar het oordeel van de commissie niet om enkel op grond van de toepassing van de draagkrachtnormen een overeenkomst aan te bieden. Bij de beoordeling van de draagkracht dient de ondernemer ook de andere persoonlijke omstandigheden van de aanvrager te betrekken, voor zover die een risico opleveren voor diens kredietwaardigheid en bij het aanvragen van de overeenkomst bekend waren.
De commissie onderkent dat het de leasemaatschappij vrij staat om zelf te bepalen welke risico’s zij wil lopen bij het aanbieden van overeenkomsten. Maar zij heeft ook een tegenover haar adspirant-klant in acht te nemen zorgvuldigheidsplicht. Bij het aangaan en nakomen van overeenkomsten dienen partijen zich over en weer naar de eisen van redelijkheid en billijkheid te gedragen (artikel 6:2 BW). Uit die eisen vloeit voort dat de leasemaatschappij geen overeenkomst aangaat met een consument, wanneer bij het aangaan daarvan aannemelijk is dat deze de financiële gevolgen daarvan niet kan dragen. Een draagkrachttoets is er niet alleen om het risico voor de leasemaatschappij in te kunnen schatten. De draagkrachttoets is er ook om consumenten te behoeden voor het aangaan van financiële verplichtingen waar zij niet aan kunnen voldoen. De commissie wijst de ondernemer in dit verband op hetgeen staat vermeld op de internetpagina van het Keurmerk Private Lease met betrekking tot “de 5 zekerheden”. Daarbij staat onder meer vermeld:
“Bescherming tegen te hoge financiële lasten
De leasemaatschappij gaat samen met u bekijken en beoordelen hoeveel u wilt en kunt betalen. Daardoor heeft u de zekerheid dat u de maandelijkse leasekosten kunt betalen.”
Tot slot verwijst de commissie naar artikel 24 van de Deelnemersvoorwaarden voor ondernemers die aan het keurmerk willen deelnemen. Deze bepaling luidt als volgt:
“De Deelnemer zorgt ervoor dat er beoordeeld wordt of de Consument naar verwachting in staat zal zijn aan de verplichtingen uit de overeenkomst te voldoen.”
De Draagkrachtnormen definiëren deze norm als het bedrag dat de consument, na aftrek van vaste lasten, te allen tijde voor levensonderhoud beschikbaar moet hebben. Dit impliceert dat van de ondernemer mag worden verlangd dat deze onderzoekt of de consument gedurende de gehele looptijd van de aangeboden overeenkomst – onvoorziene omstandigheden daargelaten – de lasten van de overeenkomst kan dragen.
In de Draagkrachtnormen is voorts opgenomen (pagina 2 onderaan) dat de deelnemende ondernemer de hoogte van het inkomen en de woonlasten van de aspirant lessee moet verifiëren. Dat houdt naar het oordeel van de commissie meer in dan enkel op grond van een paar loonstroken een berekening maken.
Bij de beoordeling van de draagkracht dient de ondernemer zich ook te realiseren waarop die loongegevens berusten wat die gegevens zeggen over het (voort)bestaan van die draagkracht gedurende de looptijd van een aangeboden overeenkomst.
In het tussenadvies heeft de commissie al gewezen op de feiten die bij de aanvraag door de consument bekend waren. De consument was student, had een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden met een 0-urenbeding en was 20 jaar oud. Gelet op die leeftijd kon de consument onmogelijk een arbeidsverleden hebben opgebouwd van een omvang die een aanspraak op een WW-uitkering gedurende de looptijd (of een relevant deel daarvan) met zich mee kon brengen. Het inkomen is bepaald op basis van vijf weekloonstaten die een wisselend inkomensbeeld lieten zien. Een werkgeversverklaring kon de consument niet overleggen. Garanties voor behoud van het inkomen waren er niet, niet op korte termijn, niet op lange termijn en zeker niet bij optredende werkloosheid. Gelet op de omstandigheid dat er geen werkgeversverklaring was en het inkomen berustte op een 0-urencontract gold ten aanzien van de vijf weekloonstaten: “resultaten uit het verleden bieden geen garanties voor de toekomst”.
De commissie stelt dan ook vast dat bij het aanvragen van de overeenkomst geen enkele zekerheid bestond dat de consument gedurende drie jaar, de looptijd van de overeenkomst, in staat zou zijn om de maandelijkse leasesom te betalen.
Wanneer de ondernemer onder die, bij de ondernemer zonder enig verder onderzoek al bekende, omstandigheden de consument een overeenkomst aanbiedt, neemt de ondernemer daarmee een bij het aangaan van de overeenkomst voorzienbaar risico dat de consument die overeenkomst niet, althans niet gedurende de gehele looptijd, na zal kunnen komen. De inkomenszekerheid is immers bepaald niet gegarandeerd. Het staat de ondernemer vrij om, zoals de ondernemer ook aanvoert, in een dergelijk geval dit risico te nemen, maar wanneer de ondernemer dat voorzienbare risico neemt en dat risico zich ook realiseert, is de commissie van oordeel dat de gevolgen daarvan ook voor rekening van de ondernemer moeten blijven. De schade die door het tekortschieten van de consument ontstaat, is dan immers hoofdzakelijk een gevolg van een omstandigheid die aan de door het tekortschieten benadeelde ondernemer kan worden toegerekend (artikel 6:101 BW). De commissie is van oordeel dat een dergelijk geval zich hier voordoet. In strijd met de door de Stichting Keurmerk Private Lease gevoerde “5 zekerheden” (en het onder meer daaronder liggende artikel 24 van de Deelnemersvoorwaarden Stichting Keurmerk Private Lease) heeft de ondernemer onvoldoende geverifieerd of de zekerheid bestond dat de consument gedurende de looptijd van de overeenkomst de daaruit voortvloeiende lasten zou kunnen dragen.
Wanneer de schade hoofdzakelijk het gevolg is van een omstandigheid die aan de ondernemer toegerekend moet worden, bestaat ook geen grond om die schade en/of gederfde winst via een beëindigingsvergoeding in rekening te brengen van de consument.
Maar dit betekent nog niet dat de consument aanspraak heeft op een schadevergoeding ten laste van de ondernemer. Wat voor de ondernemer geldt ten aanzien van het nemen van een risico geldt evenzeer voor de consument. De consument had kunnen en moeten voorzien dat het risico bestond dat zijn arbeidsovereenkomst na zes maanden niet zou worden verlengd. Zekerheid dat hij zich daarna opnieuw een vergelijkbaar inkomen zou kunnen verwerven was er niet. Een voldoende aanspraak op een WW-uitkering om gedurende drie jaar de leasesom van te kunnen betalen kon nog niet zijn opgebouwd. Wanneer de consument desondanks toch besluit om een leaseovereenkomst voor drie jaar aan te gaan en zich vervolgens het risico realiseert dat hij deze niet kan nakomen, komen de gevolgen daarvan voor zijn rekening, op dezelfde grond als aangevoerd ter verklaring van de beslissing om de voor de ondernemer ontstane schade als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst voor rekening te laten van de ondernemer.
Voor zover de consument nog heeft verwezen naar de gedragscode van de VFN en naar artikelen uit de Wet Financieel Toezicht merkt de commissie op dat private leasecontracten, die niet beogen dat de lessee aan het eind van de overeenkomst eigenaar wordt van de ter beschikking gestelde zaak, zich niet laten kwalificeren als huurkoop of enige andere vorm van kredietverlening. In wezen is de private leaseovereenkomst, zoals hiervoor al overwogen, niet meer dan een huurovereenkomst voor bepaalde tijd, waarbij een tussentijdse beëindiging in beginsel is uitgesloten. Op deze overeenkomsten is de financiële wetgeving (waaronder de Wft) niet van toepassing, net zo min als de gedragscode van de VFN. Dit is overigens onderkend door de Autoriteit Financiële Markten (AFM), die de minister van Financiën heeft verzocht om te onderzoeken of nadere regulering van contracten als het onderhavige niet wenselijk is. Zo ver is het echter nog niet. Daarbij merkt de commissie overigens op dat in artikel 2, lid 2, aanhef en onder d van de Richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten leaseovereenkomsten uitdrukkelijk van de werking van deze richtlijn zijn uitgesloten, zodat die richtlijn niet dwingt tot een dergelijke regulering.
Wat betekent dit alles voor de beslissing in deze zaak? De door de consument verlangde schadevergoeding zal worden afgewezen. Met betrekking tot de door de ondernemer bij de consument in rekening gebrachte bedragen heeft de ondernemer in zijn reactie op het tussenadvies een specificatie in het geding gebracht. De juistheid van die specificatie is door de consument inhoudelijk niet betwist. De specificatie vermeldt:
• Openstaande leasetermijnen € 1.563,61;
• Incassokosten € 40,00;
• Kosten vervangend vervoer € 223,08;
• Kosten contractbeëindiging € 4.913,00;
• Kilometerafrekening € 1.790,76;
• Innameschades € 596,45; +
Totaal € 9.126,90.
De commissie is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat van deze kosten de onderdelen ‘incassokosten’ en ‘kosten contractbeëindiging’ voor rekening moeten blijven van de ondernemer. Voor zover de consument door de overeenkomst is gebaat, dient hij de daarvoor overeengekomen vergoeding te voldoen. Dat aan de auto tijdens dat gebruik schades zijn ontstaan, heeft de consument niet betwist, net zo min als de verschuldigdheid van kosten voor vervangend vervoer. Het restant, € 4.173,90, is de consument daarom wel verschuldigd.
De slotsom luidt dat de klacht gegrond is, voor zover de ondernemer bij de consument schade in rekening brengt die het gevolg is van de ontbinding van de overeenkomst. Voor het overige is de klacht ongegrond, dus ook voor wat betreft de verschuldigdheid van een schadevergoeding door de ondernemer aan de consument.
Het voorgaande leidt daarom tot na te melden beslissing.
De beslissing
De commissie stelt het door de consument aan de ondernemer verschuldigde bedrag vast op € 4.173,90.
Het meer of anders door de consument verlangde wordt afgewezen.
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 127,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie een bijdrage in de behandelingskosten van het geschil verschuldigd.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Private Lease, bestaande uit mr. R.J.M. Cremers, voorzitter, mw. drs. P.C. Hoogeveen- de Klerk en drs. C.J. Bal, leden, op 9 april 2021