Commissie: Gehandicaptenzorg
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: onbevoegd
Referentiecode:
672585/904740
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een ouder (klager) heeft klachten ingediend tegen de Baalderborg Groep over de jeugdhulp die zijn kinderen ontvingen tussen oktober 2021 en december 2022. De klachten gaan onder meer over machtsmisbruik, schending van het beroepsgeheim, gebrekkige verslaglegging, het niet nakomen van afspraken en gebrekkige communicatie. De klager stelt dat zijn vertrouwen in de zorgaanbieder ernstig is geschaad en heeft de zorg voor zijn kinderen elders voortgezet. Een eerdere klachtencommissie verklaarde het merendeel van de klachten gegrond, maar de zorgaanbieder nam dit oordeel grotendeels niet over. Klager wilde vervolgens via de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg een bindend oordeel verkrijgen. De zorgaanbieder voerde aan dat er al een interne klachtenprocedure is gevolgd conform de Jeugdwet. De Geschillencommissie heeft zich echter onbevoegd verklaard, omdat de klachten betrekking hebben op zorg verleend onder de Jeugdwet, die niet onder de reikwijdte van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) valt. De commissie beoordeelt alleen geschillen die vallen onder de Wkkgz, zoals zorg onder de Wet langdurige zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw). Omdat jeugdzorg buiten deze wet valt en onder gemeentelijke verantwoordelijkheid valt, kan de commissie het geschil niet inhoudelijk behandelen. Daarom is het geschil niet in behandeling genomen.
De uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: klager)en
Baalderborg Groep, gevestigd te Ommen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Samenvatting
De klacht vloeit voort uit de zorgverlening aan de kinderen van klager. De klachtonderdelen hebben in hoofdzaak betrekking op de geleverde zorg en de daarmee samenhangende taken. De Geschillencommissie Gehandicaptenzorg (hierna: de commissie) is niet bevoegd dit geschil te behandelen, omdat jeugdzorgverlening geen zorg betreft die valt onder artikel 19 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Zorg verleend in het kader van de Jeugdwet kent geen gang naar de commissie. Jeugdhulpverlening valt onder de Jeugdwet en valt buiten de reikwijdte van de Wkkgz, aan welke wet de commissie haar bevoegdheid ontleent.
Behandeling van het geschil
De behandeling heeft plaatsgevonden op 11 maart 2025 te Den Haag.
Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen, nu de commissie tijdens deze zitting enkel zal bepalen of zij bevoegd is om de klacht van klager in behandeling te nemen.
Het standpunt van klager
Voor zover in het kader van de voorbeslissing van belang, kan het standpunt van klager als volgt worden samengevat.
Via de woongemeente van klager, hebben zijn kinderen op basis van de Jeugdwet zorg van de zorgaanbieder ontvangen.
Klager heeft op 6 oktober 2023 bij de zorgaanbieder een klacht ingediend over het handelen van de zorgaanbieder in de periode van oktober 2021 tot en met december 2022 waarin zijn kinderen zorg hebben ontvangen.
De klacht bestaat uit acht onderdelen, die in hoofdzaak betrekking hebben op de zorg zoals die door de zorgaanbieder is verleend en daarmee samenhangende taken:
1. dreigen en machtsmisbruik, hetgeen onder andere in gesprekken d.d. 31 mei, 13 en 19 december 2022 heeft plaatsgehad en bij de weigering een andere regiebehandelaar in te zetten;
2. schending beroepsgeheim, door medewerkers van de zorgaanbieder op 8/9 september 2021 en
4 mei 2022;
3. incorrecte dossiervorming en verslaglegging, bestaande uit veel fouten, onjuistheden en eenzijdige zienswijze in werkaantekeningen en diverse gespreksverslagen;
4. onnodige vertraging in communicatie en het delen van gevraagde informatie;
5. niet nakomen van afspraken/verzoeken, zoals onder meer is gebleken in een afspraak op
8 oktober 2021 inzake draagkracht/draaglast;
6. contact met Raad van Bestuur, waarbij het bestuur aan het voeren van gesprekken (op 12 juli 2022 en in november 2022) voorwaarden verbindt;
7. incorrecte verslaglegging naar derden (VWS).
Klager heeft, steeds wanneer nodig, zelf om hulp gevraagd, zich coöperatief opgesteld, goed contact onderhouden met de gemeente (als regiehouder) en met andere hulpverleningsorganisaties. Het belang van de kinderen stond hierbij altijd voorop. De handelwijze van de zorgaanbieder heeft erin geresulteerd dat het vertrouwen in de zorgaanbieder is geschonden. In samenspraak met de jeugdconsulenten van gemeente heeft klager besloten de ambulante zorg voor beide kinderen en de dagbesteding van zijn dochter bij een andere zorgaanbieder voort te zetten.
De klachtencommissie heeft in haar uitspraak van 1 februari 2024 het overgrote deel van de door hen in
behandeling genomen klachten gegrond verklaard, maar de zorgaanbieder heeft aangegeven het oordeel van de klachtencommissie ten aanzien van de meeste klachtonderdelen niet over te nemen.
Vervolgens heeft klager op 2 december 2024 een tweede klachtbrief aan de zorgaanbieder voorgelegd.
Nu een deel van de klachtonderdelen helemaal niet door de klachtencommissie is behandeld, verlangt klager een bindend oordeel per klachtonderdeel, zoals neergelegd in de klachtbrieven van
2 december 2024 en 6 oktober 2023.
Daarnaast wil klager een nieuwe klacht toevoegen ten aanzien van het Raadsonderzoek van de Kinderbescherming. In dit kader heeft een behandelaar haar beroepsgeheim geschonden. Klager is ook niet op de hoogte gesteld van de tussen hulpverleners gevoerde gesprekken/overleggen. Evenmin is in verband met in dit kader gevoerde telefoongesprekken iets opgenomen in het dossier. Naast om een raadsonderzoek te hebben gevraagd, is in november 2021 ook Veilig Thuis (VT) gebeld. De stappen uit de Meldcode zijn hierbij niet goed gevolgd. Het bespreken van een mogelijk Raadsonderzoek met de gemeente strookt niet met het advies van VT en dossier van de zorgaanbieder.
De klager verlangt erkenning van zijn klachten en ziet graag dat de zorgaanbieder de geldende richtlijnen en beroepscode in acht neemt en deze in haar processen implementeert. Tot nu toe ervaart klager bij de zorgaanbieder een gebrek aan zelfreflectie voor wat betreft de gemaakte fouten.
Het standpunt van de zorgaanbieder
Voor zover in het kader van de voorbeslissing van belang, kan het standpunt van de zorgaanbieder als volgt worden samengevat.
Klager heeft meerdere klachten bij de klachtencommissie ingediend, onder meer over een
omissie in het klachtenreglement van de zorgaanbieder. Tevens is hierbij door klager de onafhankelijkheid van de klachtencommissie in twijfel getrokken. Op de klacht is door de toenmalige voorzitter van de klachtencommissie inhoudelijk gereageerd. Naar aanleiding daarvan is het bestuur van de zorgaanbieder gevraagd om het klachtenreglement onder de loep te nemen en waar nodig te herzien.
Ondanks het feit dat vanuit de Jeugdwet geen verplichting voor de aanwezigheid van een
interne klachtenfunctionaris bestaat, heeft klager intensieve ondersteuning gehad van een interne onafhankelijke cliëntvertrouwenspersoon. De wijze waarop de zorgaanbieder deze ondersteuning heeft georganiseerd, was tot grote tevredenheid van klager.
In de Jeugdwet is een eigen klachtenregeling opgenomen, die onder andere verplicht tot klachtbehandeling door een klachtencommissie.
Aangezien er geen grote verschillen bestaan inzake de uitgangspunten van klachtbehandeling tussen de Wkkgz en de Jeugdwet, is door de zorgaanbieder het proces rondom klachten van zowel cliënten als medewerkers geanalyseerd en geharmoniseerd. Los van de wettelijke verplichtingen die er zijn, acht de zorgaanbieder het belang van een professionele en deskundige klachtencommissie voor het afhandelen van klachten groot. Vanuit de raad van bestuur bestaat dan ook geen enkele aanleiding voor ondermijning van een ordentelijke klachtenprocedure.
Beoordeling
De commissie dient op grond van haar reglement ambtshalve te toetsen of zij bevoegd is kennis te nemen van onderhavig geschil, door te toetsen aan de hand van het volgende juridisch kader.
Juridisch kader
Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wkkgz heeft de commissie tot taak geschillen over gedragingen van een zorgaanbieder jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening te beslechten.
De Wkkgz definieert ‘zorg’ als Wlz-zorg, Zvw-zorg en andere zorg. Onder ‘andere zorg’ vallen handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (wet BIG), niet zijnde Wlz-zorg of Zvw-zorg, alsmede handelingen met een ander doel dan het bevorderen of bewaken van de gezondheid van de cliënt. Met het laatste wordt onder meer gedoeld op alternatieve en cosmetische zorg.
De Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en de Jeugdwet vallen niet onder de reikwijdte van de Wkkgz, nu de gemeenten eindverantwoordelijk zijn voor de te leveren zorg en het beschikbaar stellen van alle vormen van jeugdhulp.
Een zorgaanbieder in de zin van de Jeugdwet dient te voldoen aan de wettelijke vereisten op het gebied van kwaliteit en klachten uit de Jeugdwet.
In de Jeugdwet is in artikel 4.2.1 bepaald dat de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling een regeling treffen voor de behandeling van klachten over gedragingen van hen of van voor hen werkzame personen jegens een jeugdige, ouder, ouder zonder gezag, voogd, degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de jeugdige uitoefent of een pleegouder in het kader van de verlening van jeugdhulp, de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering.
De commissie heeft het volgende overwogen.
Uit de stukken maakt de commissie op dat aan de kinderen van klager in het kader van de Jeugdwet door de zorgaanbieder ambulante ondersteuning is verleend en aan de dochter tevens dagbesteding werd geboden.
De klacht inhoudelijk is in hoofdzaak gericht tegen de verleende zorg en de wijze waarop de zorgaanbieder zich van deze taak en van bijkomende taken heeft gekweten.
De zorgaanbieder voldoet aan de eis voor het behandelen van klachten, namelijk door het aanbieden van de mogelijkheid tot het indienen van een klacht bij de onafhankelijke klachtencommissie van de zorgaanbieder. Onderhavige klacht is ingediend door klager bij de klachtencommissie van de zorgaanbieder van jeugdhulp.
Voor zover de klachtonderdelen betrekking hebben op het handelen van de zorgaanbieder jegens de kinderen van klager, is de zorgverlening gebaseerd op de Jeugdwet en is de commissie onbevoegd tot het in behandeling nemen van de klacht. De commissie is immers enkel bevoegd tot het behandelen van klachten op grond van de Wkkgz.
Daar komt bij dat de verleende jeugdzorg vanuit de gemeente is gefinancierd.
De commissie is dan ook niet bevoegd het geschil te behandelen. Dit betekent dat de commissie niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart zich onbevoegd het geschil te behandelen.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer ir. N. Bomer, mevrouw mr. O.A.M. Floris, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.M. Bouter-Bijsterveld, secretaris, op 11 maart 2025.