Commissie: Advocatuur
Categorie: Schadevergoeding
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
255568/555967
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De cliënte heeft een verzoek ingediend bij DUO om kwijtschelding van haar studieschuld, wat werd afgewezen. Ze schakelde een advocaat in die haar verzekerde van een grote kans op succes. De advocaat diende bezwaar in, maar vergat vervolgens beroep in te stellen tegen de afwijzing van DUO. De cliënte stelt dat deze fout haar de kans op kwijtschelding heeft ontnomen en eist compensatie.
De advocaat erkent dat hij een fout heeft gemaakt door geen beroep in te stellen. Hij betoogt echter dat de kans op succes bij de rechtbank gering was, gezien de strikte voorwaarden van DUO voor kwijtschelding. Hij vindt het vervelend hoe het is gelopen, maar meent dat zijn aansprakelijkheidsverzekeraar niet verantwoordelijk is voor de studieschuld van de cliënte.
De commissie oordeelt dat de advocaat een beroepsfout heeft gemaakt door niet tijdig beroep in te stellen, wat niet voldoet aan de normen van een redelijk bekwame advocaat. De klacht van de cliënte is gegrond. Echter, de commissie kan niet vaststellen dat de cliënte daadwerkelijk schade heeft geleden door deze fout, aangezien haar medische situatie niet voldoet aan de strikte voorwaarden voor kwijtschelding van DUO. Daarom wordt de schadevergoeding afgewezen.
Volledige uitspraak:
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Advocatuur (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
Op 21 januari 2025 heeft te Den Haag de mondelinge behandeling van het geschil door de commissie plaatsgevonden.
Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.
Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht. De cliënte heeft digitaal aan de zitting deelgenomen. De advocaat is fysiek ter zitting verschenen.
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat en de schade die de cliënte stelt te hebben geleden c.q. te lijden door toedoen van de advocaat.
De cliënte heeft een bedrag van € 719,– niet aan de advocaat betaald en bij de commissie in depot gestort.
Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënte heeft bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) een verzoek ingediend om kwijtschelding van haar studieschuld. Bij besluit van 21 oktober 2020 is dit verzoek afgewezen.
Naar aanleiding van dit besluit heeft de cliënte met de advocaat gebeld en zijn advies gevraagd. De advocaat gaf de cliënte te kennen de zaak te willen aannemen, omdat deze erg veel kans van slagen had. De cliënte is op dit advies afgegaan. Ook daarna heeft de advocaat zich meerdere keren erg positief en hoopvol over de zaak uitgelaten.
De advocaat heeft bezwaar ingediend tegen het besluit van 21 oktober 2020. DUO heeft dit bezwaar op 11 maart 2021 ongegrond verklaard. De advocaat heeft verzuimd hiertegen beroep in te stellen. Hij is vergeten het door hem opgestelde beroepschrift – waarin een beroep op de hardheidsclausule werd gedaan – naar de rechtbank te sturen.
De cliënte is van mening dat de advocaat een fout heeft gemaakt. Door deze fout heeft zij uiteindelijk geen kwijtschelding van haar studieschuld gekregen. Zij acht de advocaat hiervoor aansprakelijk en wil dat de advocaat haar compenseert. Zij verzoekt de commissie in redelijkheid en billijkheid een schadevergoeding vast te stellen.
Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De advocaat heeft namens de cliënte een bezwaarschrift ingediend, waarin hij een beroep heeft gedaan op een ‘hardheidsclausule’ om gezondheidsredenen. De Afdeling Bezwaar en Beroep van DUO wilde daarin niet meegaan en heeft op 11 maart 2021 het bezwaar ongegrond verklaard.
De advocaat erkent dat hij vervolgens niet binnen de gestelde termijn een appelschrift bij de rechtbank heeft ingediend tegen de afwijzende beslissing van DUO.
De cliënte gaat ervan uit dat de procedure in beroep bij de rechtbank gewonnen zou worden en dat haar studieschuld kwijtgescholden zou zijn. Feit is echter dat de gronden van DUO om een studieschuld kwijt te schelden beperkt zijn. Volgens de advocaat voldoet de cliënte hier niet aan.
De advocaat is van mening dat het beroep bij de rechtbank daarom geen tot weinig kans van slagen had. Hij heeft dit met de cliënte besproken.
Hoewel de advocaat het buitengewoon vervelend vindt hoe het is gelopen, betekent dit niet dat zijn aansprakelijkheidsverzekeraar de schuld van de cliënte aan DUO voor haar zou moeten nemen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.
De advocaat heeft erkend dat hij een fout heeft gemaakt door niet tijdig in beroep te gaan tegen de beslissing op bezwaar van DUO van 11 maart 2021. Gelet op deze beroepsfout is de commissie van oordeel dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. De klacht van de cliënte is dan ook in zoverre gegrond.
De advocaat heeft voorts ter zitting verklaard dat hij geen aanspraak (meer) maakt op betaling van het openstaande bedrag van € 719,–. De commissie zal dienovereenkomstig beslissen.
Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting kan de commissie echter niet vaststellen dat de cliënte door de door de advocaat gemaakte fout schade heeft geleden dan wel zal lijden. Immers, uit de beslissing van DUO van 11 maart 2021 blijkt dat – op basis van het beleid van DUO – slechts in bepaalde gevallen om medische redenen een studieschuld kan worden kwijtgescholden. In die gevallen kan een beroep worden gedaan op de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering.
Kwijtschelding is blijkens de beslissing van DUO van 11 maart 2021 mogelijk voor de volgende groepen:
1. terminale patiënten, die naar verwachting binnen een jaar zullen overlijden;
2. psychiatrische patiënten op verklaring van de geneesheer-directeur dat de situatie uitzichtloos is;
3. debiteuren die ernstig geestelijk gehandicapt zijn op verklaring van de inrichting;
4. debiteuren die gedurende langere tijd in coma liggen.
De cliënte heeft kennelijk een ernstige longaandoening. Zij lijkt derhalve niet te vallen onder één van de hiervoor genoemde groepen voor wie een beroep op de hardheidsclausule mogelijk is. De commissie is daarom met de advocaat van oordeel dat de kans van slagen van het beroep bij de rechtbank gering was. De cliënte heeft ten aanzien van haar stelling dat het beroep bij de rechtbank wél succesvol zou zijn en zou hebben geleid tot een kwijtschelding van de studieschuld onvoldoende gesteld en dit niet nader onderbouwd, mede ook gezien in het licht van de betwisting daarvan door de advocaat.
De commissie kan dan ook niet vaststellen dat de cliënte, als de advocaat het beroepschrift wel (tijdig) had ingediend, kwijtschelding van haar studieschuld zou hebben gekregen.
De cliënte heeft bovendien daarnaast ten aanzien van haar schade onvoldoende gesteld en deze schade niet nader onderbouwd.
Gelet op het voorgaande zal de commissie de door de cliënte verzochte schadevergoeding afwijzen.
Nu de klacht van de cliënte gegrond wordt verklaard als hiervoor vermeld, ziet de commissie daarin aanleiding de advocaat te veroordelen tot vergoeding van het door de cliënte betaalde klachtengeld van € 52,50.
Bovendien dient de advocaat – overeenkomstig het reglement van de commissie – een bijdrage in de behandelingskosten van de commissie te voldoen.
Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënte gegrond;
– bepaalt dat de cliënte het openstaande bedrag van € 719,– niet aan de advocaat hoeft te betalen. Met inachtneming hiervan wordt het door de cliënte in depot gestorte bedrag van € 719,– aan haar gerestitueerd;
– bepaalt dat de advocaat het klachtengeld van € 52,50 aan de cliënte moet vergoeden. Betaling dient plaats te vinden binnen veertien dagen na verzending van dit bindend advies;
– bepaalt dat de advocaat overeenkomstig het reglement van de commissie behandelingskosten aan de commissie verschuldigd;
– wijst af het meer of anders verzochte.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. J. van der Groen, voorzitter, mevrouw mr. H.M.J. van den Hurk en de heer H.W. Zuur, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 21 januari 2025.